1873 – Schetsen uit Zeeland

Een aanspreker te Middelburg. 1875

Een aanspreker te Middelburg. 1875

Dan stroomen allen de herberg binnen, waaruit het geluid van viool en fluit u tegenklinkt, en waar op den ruimen deel lustig gedanst wordt. De pret duurt den ganschen avond, en zelfs nog wel een deel van den nacht, en de uitgelaten dolheid openbaart zich op allerlei, ook min voegzame wijze. Het geheele tooneel in het anders zoo rustige kalme dorp krijgt weldra iets ruws, dat ook op mijn vriend een onaangenamen indruk maakte. Toch kan ik niet instemmen met hen, die tegen deze uitspanningen te velde trekken en voor de afschaffing daarvan ijveren. Afschaffen is zeker de eenvoudigste en meest afdoende manier om een einde te maken aan alle mogelijke misbruiken, waartoe eene of andere zaak aanleiding geven kan; maar het is ook een paardemiddel, dat somwijlen in de praktijk erger kan blijken dan de kwaal. De behoefte aan uitspanning, aan vermaak, is echt menschelijk en behoort op zich zelve niet tegengegaan te worden: het komt er slechts op aan, die behoefte te leiden en zoodanige bevrediging voor haar te vinden, dat de goede zeden en de goede smaak daaronder geen schade lijden. Maar[140]die taak is verre van gemakkelijk: vooral in onzen tijd mag het eene hachelijke onderneming heeten, nieuwe, veredelde volksvermaken te willen uitvinden, die niet aan de gebreken der oude zullen lijden en dezen inderdaad kunnen vervangen. Juist omdat zulke volksvermaken worden bedacht en uitgevonden door mannen, die niet tot het eigenlijke volk, dat men vermaken wil, behooren, die door stand en opvoeding en denkwijze daar buiten staan; juist daarom vinden die kunstmatig aangelegde vermaken bij het volk geen ingang. Bovendien lijden zij meest allen aan het groote gebrek—een fout van hun oorsprong—dat het volk eenvoudig de rol van toeschouwer of toehoorder vervult, en niet zelf een werkzaam aandeel aan het feest neemt; en toch, alleen wanneer dit laatste geschiedt, kan er inderdaad van volksvermaak sprake zijn. Daarop verstond men zich vroeger veel beter: op onze kermissen, hoe verbasterd en van hare eigenlijke bestemming ontaard zij ook mogen zijn, is toch nog voor de massa eene soort van uitspanning te vinden, waarbij zij niet louter lijdelijk blijft: en voornamelijk om die reden toont het volk zich nog zoo zeer aan deze oude instelling gehecht. Wat geven wij in de plaats? Tentoonstellingen, volksconcerten, illuminaties, vuurwerk, volksvoorstellingen, zakloopen, mastklimmen: het is alles zeer fraai en uiterst belangwekkend, maar het is steeds een georganiseerde pret, eene gemaakte vertooning in den alledaagschen zin, een vermaak op kommando: en dat gaat nooit recht van harte. Daarbij: in onzen tijd is er te weinig overgebleven van het eigenlijke volksleven, is de samenleving te zeer uiteengerukt, is het volk te veel in individus, die ieder op zich zelven staan, verbrokkeld, om voor rechte en wezenlijke volksvermaken ruimte [142]te laten; ook zijn de verschillende standen uiterlijk te zeer onderling vermengd en juist daardoor innerlijk verder dan ooit van elkaar verwijderd. De aanzienlijke en vermogende neemt niet langer deel aan de uitspanningen des volks; en het volk zelf streeft er dwaselijk naar om, zooveel mogelijk, dezelfde uitspanningen te genieten als de hooger geplaatsten, daardoor zijn eigen genot bedervende en den schijn voor het wezen nemende. Voor het volk in zijn geheel geldt, in dit opzicht, hetzelfde als voor den enkelen mensch: om zich waarlijk te kunnen vermaken, om recht vroolijk te kunnen zijn, wordt eene zekere mate van naïeveteit, van frissche gezondheid van lichaam en ziel vereischt. En is het niet juist aan dit, dat het ons geslacht hapert? Wordt ons gemoed niet te zeer vervuld en gedrukt door den ernst der tijden? Hebben wij niet, door al wat wij aanschouwden en ervoeren, die kostelijke gulle onbevangenheid der jeugd verloren, die mede een vereischte voor echte vroolijkheid is?

Ringrijden 1875

Ringrijden 1875