1873 – Schetsen uit Zeeland

Een oud-hollandsch binnenhuis te Middelburg. 1875

Een oud-hollandsch binnenhuis te Middelburg. 1875

Mijn vriend had met aandacht naar mijn vertoog geluisterd, en beloofde, dat hij het pothuis en zijn bewoner niet vergeten zou. Ik daarentegen beloofde hem dat, zoo hij met mij naar Amsterdam wilde gaan, zich daar, ook op dit gebied, een nieuw veld van waarneming voor hem zou opdoen.

Een nog vreemder verschijning voor mijn reismakker was onze hollandsche aanspreker of bidder, hier nog geheel in zijn eigenaardig kostuum gedost, met wijden mantel, steek, lamfer en bef. Wij ontmoetten een paar zulke bidders in de straten van Middelburg; en ik moest mijn vriend nauwkeurig verslag geven van hunne roeping en den eigenlijken aard hunner werkzaamheden. De hollandsche lezer schenkt mij die uitlegging. Op de eigenaardige gebruiken, nog hier en daar op het platte land in Zeeland, bij gelegenheid van begrafenissen in gebruik, kom ik later terug.

In ons logement en ook elders hadden wij meermalen hooren spreken van een der bewoners der stad, die in het vorige jaar zijn honderdsten verjaardag had gevierd, en nog in het bezit van zijne vermogens en van een goede gezondheid was. Door tusschenkomst van een mijner bekenden werd het ons vergund, bij dien ouden [137]heer een bezoek af te leggen, dat zeker tot mijne aangenaamste herinneringen behoort. De oude heer, die den 12den April 1772 te Oost-Kapelle geboren was, leefde nu bij eene dochter in huis, na vijf-en-vijftig jaar lang het beroep van bakker te hebben uitgeoefend. Op zijn zeventigste jaar of daaromtrent was hij begonnen te teekenen: vooral kopiëerde hij gaarne zeegezichten en vrouwenportretten; en hij deed dit, zijn leeftijd in aanmerking genomen, niet zonder talent. Hij gaf ons zijn portret ten geschenke, dat ter gelegenheid van zijn honderdsten verjaardag was gemaakt, en waaronder hij nog met vaste hand zijn naam geteekend had. Toen hij de kamer binnentrad, waar wij werden ontvangen, beefde hij over zijn geheele lichaam, maar hij liep nog tamelijk rechtop, en zijn gelaat zag er nog tamelijk frisch uit, al stonden zijne oogen ook dof. Wij onderhielden ons een poosje met hem en zijn kleinzoon, die ons zijne teekeningen liet zien, waarmede de oude man blijkbaar zeer ingenomen was. Honderd jaar! welk een leeftijd, en wat heeft die man al niet bijgewoond! Hij heeft eene wereld zien ondergaan, en eene nieuwe verrijzen: wat mag hij zelf bij al deze aangrijpende gebeurtenissen der laatste honderd jaren hebben gevoeld en gedacht! Uit den aard der zaak konden wij niet daarover uitweiden; toch deed het ons goed, toen wij de zachte weeke hand van den ouden man in de onze drukten, dezen stillen getuige der vervlogen dagen te hebben gezien.—Naar ik vernomen heb is hij in April 1874, na eene zeer kortstondige ongesteldheid, kalm overleden. Wij bieden onzen lezers zijn portret aan.

De oudste inwoner van Middelburg. 1875

De oudste inwoner van Middelburg. 1875

Na een paar dagen door Middelburg te hebben rondgewandeld, hadden wij zoo wat alles gezien, wat in de stille deftige hoofdstad van Zeeland de aandacht van vreemdelingen trekken kan. Ook zij is bezig gaandeweg haar eigenaardig karakter te verliezen, en te dalen tot den rang eener kopie op kleine schaal van eene groote stad. De alles nivelleerende, alles gelijk makende, alles afslijpende eenvormigheidsmanie onzer dagen is voor kleine steden, als voor kleine volken, bijzonder noodlottig; zij werpen haar eigenaardig, historisch karakter weg ten einde zoo veel mogelijk gelijk te worden aan groote metropolen:—met geen ander gevolg dan dat zij verliezen wat haar bekoorlijk en eerbiedwaardig maakt, zonder te verwerven wat haar, uit een ander oogpunt, belangwekkend zou kunnen maken. Zoo worden de steden van den tweeden en lageren rang eenvoudig kopieën, miniatuur-uitgaven der groote hoofdsteden: kopieën, waar niemand naar omziet, en die alle aantrekkelijkheid verloren hebben voor wie het origineel kent. Middelburg heeft dat stadium van averechtsche ontwikkeling nog niet ten volle bereikt, maar bevindt zich toch onmiskenbaar op den weg, die daarheen voert: en het staat te voorzien, dat de versnelde en verbeterde middelen van gemeenschap, die thans te harer beschikking zijn gesteld, en die de stad uit hare betrekkelijke afzondering zullen helpen om haar op te nemen in den kring van het algemeen verkeer, er ruimschoots toe zullen bijdragen om den voortgang op dien weg te bevorderen. Ook van haar moet de vreemdeling de herinnering medenemen, want als hij haar weerziet, zal hij ze veranderd vinden.