1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Dat het Graafschap Kinhem, dat hier Kinnemun genoemt wordt, niet is Kennemerlandt, toont onze schrijver op het woordt Kinhem, en Kinnemaria, alwaar van de gifte des Keizers Otto den III aanDiderik den II gesproken wordt; als ook op het woord Hollandia, daar de Heer Alting zegt, dat de zuster van de Keizerinne Theophania getrouwt is geweest aan Arnulphus, den zoon van GraveDiderik II.”

Bij denzelfden schrijver vinden wij omtrent Kinhem en Wasaland, het volgende opgeteekend:

Kinhem wordt in den Giftbrief van Keizer Otto den III van het jaar 985 genoemt een Graafschap (Gerechtsbank) van ’t landt van Texel (Pagi Texellensis:) waarbij dese Keizer behalve andere plaatzen die aan dezen kant des Rhijns [35]lagen, onder de gehoorzaamheit van Grave Diederik den II noch gevoegt heeft het geheele strandt tusschen Kinhem en het Vlie: hoewel met gansch geen recht, en tegen het vast en gestadig gebruik van de Keizeren uit het Huis van Karel den Grooten. Het Graafschap Kenhem verscheelt derhalve van Kennemerlandt (Kinnemaria) dewijl dit legt naar het westen van de rivier Kinnem, en aleer te vooren door Gifte van Karel den Eenvoudigen onder Hollandt gebragt is: doch dit Graafschap is noch ten tijde der Noormannen met dienzelven naam bekent geweest, en van den schrijver Regino, Chinheijm genoemt; zoo hij maar Kennemerlandt niet mede onder deze benaminge begreepen heeft, omdat hier van daan eerst bequaame gelegentheit was om den Rhijn op te vaaren, en voort te trekken naar Sunnemaria of Dennemarca; hetwelk hij daar zegt dat geschiedt is. Welke de grenzen zijn geweest van het verder gelegen Kinhem, naar het westen en noorden, is baarblijkelijk, namelijk de stroom Kinnem en de Noordtzee. Doch hoeverre ’t zich naar het zuiden en oosten uitgestrekt heeft, is zoo net niet te bepaalen, dan van den zuidtkant, daartegens aangestooten heeft het Graafschap (Gerechtsban) van Maaslandt (immers zoo als er gedrukt staat) en van den oostkant, die van Texel. In de kaarten van den Heere Alting ziet men dit Graafschap Kinhem bepaalt tusschen de rivier Kinnem, die bij Petten in de Noordtzee loopt, en tusschen het eilandt Texel of de Helder, (P. II Tab. VII en VIII.)

Doch in deeze laatste ziet men Kinnemaria, zich uitstrekkende langs de Noordtzee van de rivier Kinnen af tot voorbij Haarlem: maar nergens tot aan de Maas of den Maaskant.”

Wasalant, onder de drie Graafschappen van het Landtschap Texel (Texelensis pagi) wordt mede getelt Masalant. Immers zoo staat in den gedrukten Giftbrief of Handtvest van Keizer Otto den III, in het jaar 985, zonder twijfel [36]door eene schandelijke verbasteringe. Want wie zou doch kunnen gelooven dat Maselandt, of Maaslandt, aan Texel grenst?

„Ik gisse derhalven, dat in de oorspronkelijke Handtvest gestaan heeft Wasalant, dat is Westland, en dat ’er het woordt Fries niet tusschen gestelt is geweest, dewijl het zonder dat kenbaar genoeg was; naardien daar gesproken wordt van Frieslandt gelegen aan den anderen kant van de rivier Kinnem. Eveneens als Menco van Werum, op het jaar 1256, met diezelfde spreekwijze de Friezen aan dezen kant van het Vlie, alleenlijk Westlinge genaamt heeft. Invoegen Graaf Diderik de II, door deze Gifte ook recht heeft gekreegen op WestFriesLandt, hetwelk is tusschen ’t overgroote Meer (de Zuiderzee) en de kleinere Meeren: dat is van het Y af tot aan den Yssel. Want men vindt geene andere Gifte, uit kragt van welke de Hollandtsche Graven zich dat recht hebben aangematigt. (Tot dus verre de Heer Alting.) (Alting, Nat. Germ. Infer. Pars II, fol. 198.) Dat Maaslandt in de voornoemde Handtvest van Keizer Otto den III, gestelt wordt tot een zuidergrens van het Graafschap Kinhem, schrijft de Heer Alting hierboven (zie Kinnem😉 hoewel in den Giftbrief zelf deze drie Graafschappen alleenlijk neffens malkander gestelt worden, Masalandt, Kinhem en Texla; zonder eenige bepalinge van de gelegentheit of grensscheidinge. Doch het is te verwonderen, dat noch de Hoog Edele Heer Douza van Noordtwijk, noch Petrus Scriverius in zijne Aanteekeningen over de Hollandtsche Kronijk, noch ook Mattheus Vossius, noch de Heer Professor Ant. Mattheus, dit woordt niet gewraakt, en de wanschiklijkheit daarvan aangetoont en verbetert hebben. Want het is zonneklaar dat Maaslandt, Masalanda, in geenerlei maniere zich tot aan Kinhem of Texel heeft uitgestrekt. Maar misschien is deze benaminge, hoe ongerijmt [37]ook, zoodanig gesterkt en gestaaft door de achtbaarheit van Melis Stoke, dat niemandt daar aan heeft durven tornen. Want deze zingt aldus in zijne Rijm-Kronijk:

„In die Graafschap, die men dus noemt,

Kinhem, Texela, ende Maeslant”

Welk woordt, indien het hier een gevoegelijke plaats kan hebben, zonder van verbastering verdacht te zijn, moest men ten minste aanwijzen, wat landtstreek dus genoemd is, en van waar men dien naam gekregen heeft; waaromtrent de Uitgever van dien Rijmer ons geen bericht of opening doet. Nu was het wel niet meer omslags te zeggen, dat dit woordt door de Afschrijvers alzoo wel bij Melis Stokeis verbastert, als in den Giftbrief zelf. Maar het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat deze schrijver waarlijk zoo geschreven heeft, en dat het Afschrift bij hem gezien, zijnde ruim drie eeuwen nadat de Handtvest gegeven was, toen al door onkunde en door vooroordeel van dezulken, die liever eene kenbare benaming van Maaslandt, als eene ongewone en onkenbare van Waaslandt, wilden aannemen en schrijven, bedorven is geweest.

Zoo dat bij geen mensch van opmerkinge en oordeel, meene ik, eenig twijfel zal kunnen overblijven, of de ware naam is Wasalanda, Wasalandt; gelijk de Heer Alting deze verbeteringe heeft opgegeven.

Dit Graafschap Wasalandt (Wasalanda Comitatus) ziet men geteekent in de kaarten van den Heere Alting, Tab. VII Pars II, tusschen de Waterlandtsche meeren, dat is, de Schermer (Sciremere) deBeemster (Bamastra) en de Purmer van den eenen kant; en tusschen den Yssel, zoo als die uit de Zuiderzee, daar het meer Medemelacha heen stroomt, van den anderen kant. Maar aangaande den oorsprong van deeze benaminge, ben ik het met den Heer [38]Alting gansch niet eens: En zoo ik diens doorgeleerden schrijvers waarheitslievende bescheidenheid kenne, zou hij, meene ik, zoo eene vergezochte en ongegronde verklaringe niet opgevat hebben, indien hij met dit woordt een bequaamer uitweg hadde gezien. Want wat gelijkvormigheit of overeenkomste heeft doch Wasalanda metWestlandt? Onder zoo veele benamingen van dien tijdt, die van dit West zijn ’t zamengestelt, wordt het zelve meest altijdt behouden, somtijts een weinig verandert, als in Wistrachia, maar nooit in Wasaof Wase. En is het niet ongerijmt, en strijdig tegen het geen de Heer Alting zelf, en anderen, van de Friezen, zoo Oostelijke, als Westelijke, geschreven hebben, te zeggen dat WestFriesLandt in dien tijdt, ook daarna, een Graafschap of Landtstreek op zich zelven is geweest, afgescheiden van de Graafschappen Kinhem en Texla?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *