1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Voorts leggen de oestervisschers zich ook op de palingvisscherij toe, door deze visch op de Waarden, met elgers, uit den grond te zeilen. Deze bezigheid verschaft hun, nadat de wierdroogerij geëindigd is, in den herfst, tot dat de vorst invalt, en ook vroeg in het voorjaar, het noodige levensonderhoud, dat zij overigens, gedurende de maanden Mei en Junij, door de schelpvisscherij trachten te erlangen5.

De weinige personen die zich nog bepaald op de oestervisscherij toeleggen, oefenen tevens de ansjovischvangst op de Zuiderzee uit.—

De Texelsche oesters, worden, voor zoo veel de groote, of zoogenoemde koroesters betreft, meest naar het buitenland verzonden, en voornamelijk naar Hamburg, van waar zij ook naar Berlijn en Petersburg worden overgemaakt.

De middelbare en kleinere soorten, worden in den binnenlandschen handel gebragt, en meerendeels naar Amsterdam gevoerd.

Gelijk er over het algemeen in ons vaderland eene groote verscheidenheid in de grondgesteldheid van den bodem wordt waargenomen, zoo is dat verschil, ook omtrent Texel op te merken.—

In het zuidwesten heeft dit eiland hooge heuvels die zich [23]in eene noordelijke rigting tot achter den Burg uitstrekken. Deze grond is voor het meerendeel gelijk aan die op de Veluwe. Eerst treft men op eene diepte van ongeveer drie à zes palmen, een land aan, hetwelk bebouwd schijnt geweest te zijn, of met heide begroeid; vervolgens vindt men eenen leemachtigen grond, doormengd met steenen van onderscheidene soort en grootte, zoo als keisteenen, marmer, keijen, gisp, agaat en zelfs kristal, benevens veel vuursteen, „op de wijze als groote droppelen, met eene witachtige korst omgeven; voorts porfier en zoogenaamde graniet, waarvan ik hier eenen tamelijk grooten, ronden klomp gezien heb.”—Ook vindt men in dezen grond vele dusgenoemde ijzernoten, benevens steenen die met ijzererts vermengd zijn; terwijl men aan de helling van den heuvel, welke hier den Hoogen Berg wordt genoemd, en wel aan de zuidzijde, alwaar men nu eene openbare wandelplaats, het Doolhof genaamd, met eenen daarbij gebouwden koepel, of tent, heeft aangelegd, eene langwerpig ronde, gladde en bruinachtige kei vindt, welke hier algemeen bekend is onder den naam van den Engelschen steen. Deze kei stak met haren top een weinig uit den grond. Het min verlichte gedeelte der bevolking, waande, dat de voet dezer kei, tot in Engeland doorging, van welk dwaas vermoeden zij echter terugkwam, toen dezelve ondergraven en losgemaakt zijnde, een lossen steenklomp vertoonde, die, naar gissing, ongeveer vijf en twintig duizend ponden woog.

Deze leemachtige en met steenen als doorzaaiden grond, heeft eene gemiddelde diepte van 10 à 14 palmen. De rondachtige gedaante van de meesten dezer keijen en steenen, doet ons met grond vooronderstellen, dat dezelve lang onder het water bedolven zijn geweest; hetzij, ter plaatse waar zij nu gevonden worden, of, vóór dat zij daar gestort zijn.—Dit laatste is echter het meest waarschijnlijk, naardien een [24]hier gevonden vuursteentje, waarin een schelpje verborgen zat, van die soort, welke men menigmaal aan onze stranden vindt, en die zaagjes genoemd worden, geene gelegenheid moet gehad hebben om op deze plaats in dat vuursteentje te kunnen komen.—

Onder den voorschreven grond ontdekt men allerhande soort van zand; grof, met ijzerachtig vocht als aaneengebakken, en dááronder zeer wit en fijn zand, zelfs mergel, zoo als dit ook in het graafschap Zutphen gevonden wordt, en dat in Engeland en België, tot bemesting van het land wordt gebezigd.

Inderdaad, wel mogt zeker natuuronderzoeker, met het oog op dit gedeelte van Texel’s bodem, vragen: „Welke verschrikkelijke gebeurtenis heeft dien grond herwaarts gevoerd?—Op welk eene wijze komt die zware, en door het water glad geslepen keisteen, op deze plaats?” Deze hooge heuvelenrei, waarop de hoofdplaats de Burg gebouwd is, gaat langzaam af tegen het Noordwesten, en eindigt achter die plaats tegen de zoogenaamde Miend, zijnde eene streek gronds, waarin een zeer groote kolk is, die vroeger aan veel watergevogelte ten verblijve verstrekte. Het is niet onwaarschijnlijk dat de afwatering der duinen, van tijd tot tijd deze kolk gevormd en uitgebreid heeft. Deze geheele noordwestelijke streek, alwaar land en water beide zoet zijn, is vroeger, naar men mij verhaalde, veel meer bewoond geweest, doch door de bewoners van tijd tot tijd verlaten, naardien het land, de onkosten van bebouwen niet kon goedmaken, omdat het zeer ligt en zanderig is, en gebrek aan behoorlijke afwatering heeft. In het laatste gedeelte der voorgaande eeuw, lagen hier twee uitgestrekte bleekerijen, waarvan de laatste, omstreeks 1775, gesloopt en verlaten is. De oppervlakte dezer Miendgrondenbeslaat welligt driehonderd bunders lands. Omtrent ter halverwege, [25]tusschen den Burg en de Koog, liggen de Gerritslanden, welke oudtijds eene bezitting uitmaakten van de Tempelieren, die hier een klooster zouden gesticht hebben. Van een en ander is thans niets meer zigtbaar dan eene hooge weide.—

De Oost- en Noord-Oostzijde van Texel bestaan voor het meerendeel, uit kleilanden, welke met sloten van brak water doorsneden zijn, terwijl het hooge land, hetwelk in perken is afgedeeld, door opgeworpen zoden dijkjes, welke hier tuinen genoemd worden, omheind is. De weiden aan die zijde zijn uitmuntend voor het vee, en inzonderheid voor de schapen, die op de zoete landen dikwijls ongansch worden.

De Noord-Westkust van Texel is bezet met breede en langzaam hellende duinen, die van tijd tot tijd, zoo door afspoeling als door aanslibbing eenige verandering ondergaan6.

In de nabijheid van de reeds genoemde Gerritslanden, liggen de zoogenaamde Monnikkenlanden, en een weg, draagt nog ten huidigen dage den naam van Monnikkenlaan, hetgeen ten bewijze kan strekken, dat er oudtijds veel meer houtgewas gestaan moet hebben.—Men wil, dat deze landen behoord hebben tot het voormalig gebied van het klooster der Tempelieren, opGerritsland, terwijl de Monnikkenlaan, den gewonen weg zoude geweest zijn, langs welken de bewoners van het klooster zich van en naar hunne woonstede begaven.

Het zuidelijk gedeelte des eilands is besloten door eenen hoogen dijk, die tot aan den kruin met eene zware steenglooijing [26]bekleed is; men kan hier ook nog de overblijfselen bespeuren van eenige zomerdijkjes, die thans nog bekend staan als Dijkstalen. Deze zijn thans zeer verlaagd en waren waarschijnlijk in vorige tijden voldoende, om het water, dat toen in de Zuiderzee mogt geweest zijn, te keeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *