1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Alvorens het schaap te scheren, wordt het in een’ kolk gewasschen, tot dat er geene onreinheid meer aan gevonden wordt; daarna ontlast men het dier van zijne vacht, welke gebleekt zijnde, in schuren of stallen wordt bewaard, tot de wolkoopers haar in het najaar komen opkoopen.

De Texelsche wol, kan, ofschoon zeer fijn, van wege hare kortheid, niet tot het weven van laken gebezigd worden, maar werd vroeger grootendeels naar Frankrijk vervoerd, alwaar zij, gemengd met garen, katoen of andere stoffen, in de fabrieken verwerkt werd.

Van algemeene bekendheid is de groene of Texelsche kaas, die van de melk der schapen wordt gemaakt, en welker bereiding hoofdzakelijk hierop nederkomt: In den room der schapenmelk, wordt een doekje, gevuld met versche schapenmest, te weeken gelegd; dat doekje wordt daarna uitgewrongen, welk wringsel aan de kaas, haren eigenaardigen smaak en kleur geeft, en waardoor zij tevens zeer gezond en bloedzuiverend wordt gemaakt.

De overblijvende melk of wei, wordt met goed gevolg tot varkensvoeder verbruikt.

Om eenigzins over de belangrijkheid der Texelsche kaasbereiding te kunnen oordeelen, wete men, dat er in 1846, nagenoeg 80,000 ℔ werd verkocht; terwijl in het jaar 1845, uitgevoerd werden 18,000 lammeren en schapen, en in 1843, circa 66,600 pond zuivere schapenwol werd afgeleverd.

De schapen komen gedurende den winter, evenmin als des [15]zomers, op stal; maar in de weiden staan schuren, hier boeten (vroeger boesen) genaamd, waarin des winters hooi wordt gebragt.

In deze boeten kunnen de schapen schuilen, wanneer het sneeuwt of guur weder is; doch zij beminnen zoo zeer de open lucht, dat het weder al zeer slecht moet zijn, eer zij van de boeten gebruik maken.—

De liefhebbers der jagt, vinden hier in het najaar vinken bij menigte; zoo ook leeuwrikken, die hier bij duizenden broeden, en vroeger worden gevangen dan in de meer zuidelijke deelen van ons vaderland; terwijl eene groote menigte lijsters, van allerhande soort, zich op dit eiland ophouden.—

Hout- en watersnippen worden er in grooten getale gevonden; de laatste zijn voor het grootste gedeelte inwoners van het land, en trekken in het najaar te zamen.—In de vorige eeuw beproefde zeker Heer op Texel, (naar ik meen de Heer Roosenboom) om hier ook patrijzen te planten. De proef gelukte vrij wel, en zeker ware dit eiland ook van dit fijne wild voorzien geworden, indien zij niet uitgeroeid waren door zekeren deugniet, die, vroeger als jager bij een Texelsch Heer in dienst, uit wraak over eene hem aangedane vermeende belediging, zijnen drift aan deze onschuldige dieren bot vierde.

Vooral in het najaar is hier eenen rijken voorraad van wilde eendvogels, zoogenaamde smienten, pijlstaarten en malsche talingen. Voormaals echter was Texel rijker met dit wild bedeeld; er waren toen meer poelen, welke thans plaats hebben gemaakt voor vruchtbare landerijen, en van daar ook, dat het getal eendekooijen verminderd is, en de vangst niet de gunstige resultaten van vroegeren tijd oplevert.—

„Eer de Kattenpolder” (nu Prins Hendrik Polder) „was ingedijkt,” dus verhaalt een waarheidlievend schrijver, die in vroegeren tijd veel op Texel verkeerde, „heb [16]ik op de middenste der eendekooijen die in het zuiden van het eiland leggen, en die drie in getal zijn, en dus met de twee kooijen in het noorden, te weten bij Oostereind en bij Waalenburg, te zamen een getal van vijf kooijen uitmaken, op eenen dag zes of zeven honderd smienten zien vangen; deze kooi werd jaarlijks voor acht honderd guldens verhuurd, doch sedert de nabijgelegen waard, door de indijking van den Kattenpolder, droog land is geworden, heeft deze fraaije kooi meer dan zeven achtste van hare waardij verloren; toen deze kooi nog in hare welvaart was, heb ik meer dan eens gezien, dat er zoo vele eendvogels naar de kaag (beurtschip) gebragt werden, om naar Amsterdam vervoerd te worden, dat er wagens met twee paarden, die nog van eene kar werden gevolgd, mede bevracht werden.”—

Behalve het opgenoemde wild, treft men op Texel ook hazen, en vooral konijnen aan.—Beide diersoorten houden zich voornamelijk in de hoogere landen en duinstreken op.—

Tegenwoordig is het aantal hazen niet zoo groot als weleer; denkelijk ten gevolge van het drukkere verkeer, dat thans over het geheele eiland plaats heeft.

De konijnen zijn er menigvuldiger, en inzonderheid verdient de nieuwe konijnenfokkerij op Eijerland genoemd te worden. De Heer N. J. de Cock, van Rotterdam, legde namelijk, sedert eenigen tijd in den polder Eijerland, over eene uitgestrektheid van 45 bunders, eene nieuwe konijnenfokkerij aan. Die gronden zijn daartoe voldoende omheind; terwijl er in die fokkerij, een zeer net jagthuis, dat gedeeltelijk door den opzigter dier onderneming bewoond wordt, met eene daarbij staande schuur, gebouwd is.—Zeshonderd konijnen, van echt Texelsch ras, zijn aanvankelijk in die fokkerij gebragt; de populatie neemt reeds voldoende toe, zoodat men op eenen goeden uitslag dier onderneming mag hopen.

Ook vindt men hier roerdompen, die, jong zijnde, een [17]welsmakend wildbraad opleveren; benevens eene andere soort van eetbare vogels, welke aan Hollands vaste kust tuilen of tjullen genoemd worden, doch hier den naam van tjerken dragen.

Minder algemeen is hier de zoogenaamde kluit. Deze vogel is iets forscher van bouw dan de meerle, heeft veel van de gestalte eens ooijevaars, en is behalve aan staart en slagpennen, die zwart zijn, met witte vederen bedekt, terwijl de snavel, welke eene lengte van circa 4 duimen heeft, de gedaante van eenen omgekeerden sikkel heeft.—

Onder de vogels die zich hier zeldzamer vertoonen, behoort ook de kruisbek, die alhier, omstreeks de maand Julij doortrekt.

Meer algemeen is op Texel de kievit, die er in grooten getale broeden, benevens eene menigte groote en kleine meeuwen, zeepapegaaijen, zeezwaluwen, enz.

Vroeger broedden er in den polder Waal en Burg, ook wilde zwanen.

Behalve het opgenoemde, is er op en om Texel overvloed van visch.—Deze wordt in bunnen of karen levend aangebragt, en op den afslag, aan de vischmarkt op den Burg, verkocht.—

Inzonderheid munten, onder de verschillende vischsoorten, de schelvisch, schol en tong uit, terwijl de Roggesloot, ten noorden van Eijerland, zeer lekkere bot oplevert.

Omstreeks het jaar 1780, werd er in den polder Waal en Burg, baars geplant, welke aldaar zeer vermenigvuldigd is.—Behalve deze, levert Texel ook snoek, brasem en voorn op.—

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *