1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

De Doopsgezinden, die voorheen met de namen van Friezen en Waterlanders, of ook met die van fijnen en groven onderscheiden werden, vormden twee partijen, welke zich in de tweede helft der 18de eeuw met elkander verbroederd hebben, zoodat de vroegere onderscheidingsnamen allengs zijn verloren gegaan. Dit gedeelte der bevolking heeft een viertal nette kerkgebouwen, en wordt in zijne eeredienst voorgegaan door 2 predikanten. De Doopsgezinden van Waal-en-Burg en Oostereind vormen ééne Gemeente; die van den Hoorn maken mede eene Gemeente uit. Zij die, behalve de genoemde, andere gezindheden zijn toegedaan, behooren tot Gemeenten, buiten het eiland.

Ofschoon op eene betrekkelijk kleine oppervlakte levende, zoo heerscht nogthans op Texel, ten opzigte van godsdienstige verdraagzaamheid, onder de bewoners de beste harmonie. Partijzucht in dezen, hebben wij althans niet kunnen bespeuren en iedereen, om het even welk kerkgenootschap hij zij toegedaan, geniet dezelfde achting; terwijl voorrang om godsdienstige beginselen, hier geheel uitgesloten en vreemd is.

Voorheen bestonden er op Texel drie Parochiekerken, t. w. aan den Burg, te Oostereind en in het voormalige dorp den Westen, de overige waren slechts onbeduidende kapellen.

Over het geheel wordt op Texel, ook bij den landbouwenden stand, de Hollandsche taal vrij zuiver gesproken, ofschoon de uitspraak, en vooral die der vrouwen, wel iets teemends heeft, terwijl men bij de bewoners ook iets van het Friesche provincialisme waarneemt, en er tevens het Zeeuwsche huus [120]voor huis, mien voor mijn, piep voor pijp, nou voor nu; enz. gehoord wordt. Bij het meer beschaafde deel der Texelaars worden bovengenoemde opmerkingen echter niet waargenomen, maar bespeurt men integendeel eene zuiverheid van uitspraak, die elders, in het gemeene leven, schaars wordt gehoord. Vooral is dit het geval in hunne gesprekken met vreemdelingen, waarin zij zich voor plaatselijke uitdrukkingen, en alléén op Texel inheemsche uitdrukkingen, zorgvuldig wachten.—In hun onderling verkeer echter, bezigen zij somtijds eenige woorden die minder algemeen verstaan worden of in gebruik zijn.—Eenige der voornaamsten zijn de volgende:

Vertrouwelijk met eenen vreemdeling sprekende, noemen zij dezen paai,1 terwijl zij in hunne gesprekken met kinderen, deze wel eens slep heeten, welke benaming als sleepen wordt uitgesproken, en eene verkorting aanduidt van het woord bijslaap.

Over het algemeen is de gewone volkstaal op Texel, vrij wel gelijk aan de gewone plattelandstaal der Noord-Hollanders.—Zoo wordt ook op Texel, de aa in paard, schaap, enz., meermaals met eeverwisseld; zoo ook de scherplange ee met ie, in been, steen, enz. de zachtlange o met eu, in zoon, en meer anderen. Overigens hebben hier in de taal de volgende afwijkingen plaats:

De korte a wordt meest als ao uitgesproken, even als in de Engelsche woorden small, to walk; enz.

De ee in het woord meester als ei.

Zoo als wij boven reeds aanmerkten, heeft de ij in de meeste woorden de klank van ie, en de ui dien van u.

Hieromtrent bestaan echter eenige uitzonderingen, zoo zegt men, b.v. Trijn; maar in het verkleinwoord Trientje, de woorden bui, zuid, lui en anderen, behouden hunnen natuurlijken klank; daarentegen zegt men in de onderscheidene [121]zamenstellingen SudSudOost, enz. De medeklinkers worden vrij scherp uitgesproken. De z en v, veelal verwisseld met de s en f; de h wordt overal uitgesproken, en niet misplaatst dan vóór de woorden eend en oven, waarvoor men hier heend en hoven zegt; terwijl behalve de reeds opgegevene, nog de volgende als eigendommelijke woorden, in aanmerking komen:Buitje voor kraamkind, mogelijk afkomstig van het Engelsche boy; Soggie voor een lammetje, dat van de moeder verstooten, kunstmatig opgekweekt moet worden, (potlam); Schet voor een jong rund;Huis weer voor heusch waar; Boet voor schuurtje; Kladdig voor morsig; Jot voor hek, (afsluiting in het land); Stek voor schutting; Treroop voor leidzeel of teugel; Meike voor meisje: Nuwelik voorwonderlijk; Koesen voor Kousen; Skeepen voor Schapen; Kil verkorting van Cornelisje; Kees en Krilles verkorting van Cornelis; enz.

Andere uitdrukkingen, zoo als geef mien Kap of Muts voor geef mijn hoed; Slep voor slaapkameraad; Taat en Mem voor vader en moeder, zijn reeds lang buiten gebruik, immers bij het jongere geslacht; hier of daar zal er mogelijk nog wel een bestevaer of besje zijn, die het spraakgebruik hunner jeugd nog in eere houden, omdat hunne taten en memmen, hun zóó leerden spreken.

Is het waar, dat de taal eens volks het ware kenmerk is van zijne beschaving, dan zal ook de wijze van uitdrukken, die men bij deze Eilanders waarneemt, een gunstig bewijs leveren voor hunnebeschaving. De geringste handwerksman of sjouwer, (uitzonderingen zullen er wel altijd te vinden zijn) weet zich beleefd en geregeld uit te drukken; zijne antwoorden kenmerken een goed ontwikkeld gezond verstand dat, zoo ten gevolge van gedurigen omgang met vreemdelingen, als door de meerdere gemeenschap met naburige streken dan vroeger plaats had, veelzijdig is beschaafd geworden. Een[122]plomp ja of nee; of hoogstens ja—nee meneer! zal hier niet worden gehoord; in één woord, wij aarzelen niet te verklaren, dat de Texelsche lagere volksklasse, in dit opzigt, als een voorbeeld mag worden voorgesteld aan een groot gedeelte van de platteland bewoners der provincie Noord-Holland. Onvermoeide werkzaamheid en een open oog voor de vorderingen die er ten opzigte van landbouw, nijverheid, enz. plaats grijpen, kenmerken over het algemeen deze beschaafde Eilanders, waarvan men, ook ten aanzien van het misbruik van sterken drank, dat elders zoo velen van den weg van welvaart en vooruitgang terughoudt, gunstige getuigenis kan afleggen; behoudens eenige uitzonderingen, die men trouwens wel overal zal kunnen uitvinden. In den regel echter, is matigheid ook te dezen aanzien, eene der prijzenswaardigste eigenschappen der Texelaars.

Omtrent hunne huishouding, alsmede van de inrigting hunner woningen, valt niets bijzonders te zeggen; terwijl de algemeen bekende Noord-Hollandsche zindelijkheid ook hier gevonden wordt.

Vriendelijk en voorkomend jegens vreemdelingen, behartigt de Texelaar nog steeds de wetten der gulle gastvrijheid, en ofschoon de landbouwende stand zich minder hecht aan de koude en lastige etiquetten, die den uiterlijk beschaafden stedeling doen kennen, deelt hij op gulle wijze van zijnen overvloed mede.

De vroegere eigenlijke Texelsche kleederdragt, waarvan het laag om den hals uitgesneden jak met langen schoot der vrouwen overig is gebleven, heeft vrij algemeen plaats gemaakt voor de gewone Noord-Hollandsche2. Het gouden of zilveren oorijzer is ook hier het nationale hoofdsieraad der [123]vrouwen, die overigens in hare kleeding een zeer goeden smaak ten toon spreiden, en onder welke men er velen opmerkt, die alle aanspraak op schoonheid mogen maken.—Zij zijn zeer blank en zacht bloozend, terwijl de bevallige vriendelijkheid, die uit veler oogen straalt, gepaard met eene betamelijke ongedwongenheid, nog verhoogd wordt door eene even bevallige houding, welke een in der daad beminnelijk geheel vormt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *