1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Bij feesten, of op hoogtijden, bestond de kleeding, zoo van mannen als vrouwen, uit zwarte stoffen.

Maaltijden, die dikwerf den naam van braspartijen verdienden, waren aan de orde van den dag. Bij elk feest werd ruim gegeten en gedronken.—Gedurende, en ook na deze maaltijden, dronk men Haarlemsch, Delftsch of Hamburger bier, alsook onderscheidene wijnsoorten, voorts hippocras en de thans weinig of niet bekende malvezij, azoijs, enz. Inzonderheid werden de kruiden-wijnen, na den maaltijd, warm gedronken, ter bevordering eener goede spijsvertering, welke dan ook hoogst noodig schijnt te zijn geweest.

In de 16de eeuw vorderde het gebruik, dat men bij den maaltijd drie plegtige bekers dronk: één, ter eere Gods, één, ter eere van de H. Maagd, en één, ter eere van de H. Engelen; welk drietal bekers, hetklaverblad werd genoemd, en waarvan het rijmpje: „Drie glaasjes zijn drie teugen”, enz. zijn oorsprong ontleende. Ook moest hij, die eenen beker [112]zou ledigen, tot zijnen tafelbuur zeggen: „Wacht heil”! waarop deze dan antwoordde: „Drink heil”! terwijl men, vooral bij zeer plegtige maaltijden, niet vergeten zoude om de Schaal van Nivelle te drinken.

De voornaamste gelegenheden, waarbij men die maaltijden hield, waren vooral de huwlijksplegtigheden, waarbij de wederzijdsche verwanten en vrienden mildelijk werden onthaald. Daarbij werden raadsels opgegeven, en vermaakte men zich met onderscheidene spelen, terwijl zang en dans vooral niet werden vergeten, evenmin als het uitbrengen van toasten, die meestal betrekking hadden op eenen gelukkigen en vruchtbaren echt. De huwelijken werden meestal door een’ Geestelijke voltrokken. Deze nam van de hand des Bruidegoms een’ ring, dien hij aan den voorsten vinger van de regterhand der Bruid stak, waarbij de Bruidegom zeide: „Met dezen ring geve ik u mijn’ mannelijken trouw”. Daarna nam de Geestelijke ook van de hand der Bruid een’ ring, dien hij aan den voorsten vinger van de regterhand des Bruidegoms stak, waarbij de Bruid zeide: „Ik beloof u mijn’ trouw te zullen onderhouden”. Zulk een paar, werd een door den heiligen echt vereenigd paar genoemd, ter onderscheiding van zulke huwlijksvereeniging, welke, zonder kerkelijk of wereldlijk gezag gesloten zijnde, een getrouwd paar werd geheeten. Wanneer eene vrouw moeder was geworden, vierde men deze gebeurtenis almede met eenen maaltijd, waarop al de bevriende geburen werden genoodigd; terwijl zulks mede plaats vond, als het kind gedoopt (gekerstend) was, en de kraamvrouw haren kerkgang deed. De maaltijd, welke bij die gelegenheid gehouden werd, heette het Begankenismaal. De doopplegtigheid werd, vooral door de meer gegoeden, met veel statie gevierd. De doopeling werd (zoo als dit nog op het eiland Marken plaats heeft) met linnen windsels omwonden, en, naar gelang van het meerder of minder vermogen der ouders, [113]met een fraai en kostbaar doopkleed (sprei) bedekt, naar de kerk gedragen. Vooruit gingen eenige bloedverwanten, elk met eene waskaars in de hand; deze werden gevolgd door een persoon, die eenen overdekten en met zout gevulden schotel droeg; dan volgde de vader en de doopheffer. Na afloop der plegtigheid keerde men in dezelfde orde weder huiswaarts, waar een wel voorziene disch hen wachtte. Het overige van den dag werd in gulle vrolijkheid gesleten.

Ook bij begrafenissen hield men maaltijden; doch in stede van dáár elkander op eene voegzame wijze bezig te houden met de overdenking van de broosheid des levens, gaf men zich bij zulke gelegenheden, die toch uit haren aard treurig zijn, over aan buitensporige overdaad. Van alle oude gewoonten zijn de zoogenaamde doodmalen het langst in gebruik gebleven. De dragers werden veelal in eene herberg onthaald, waarbij het doorgaans vrij ruw toeging.

Bij de begrafenissen plaatste men, na de ter aarde bestelling van het lijk, een houten kruis op het graf, dat daarop gedurende twee dagen staan bleef. De kerken dienden vrij algemeen tot begraafplaatsen, terwijl de graven doorgaans of overwulfd of met een zerk overdekt werden, waarop de naam en, bij aanzienlijken, ook het familiewapen of eigendomsmerk werd gebeiteld. Na de Hervorming zijn deze gebruiken grootendeels verdwenen.2 Nog na de 16de eeuw, bestond hier de gewoonte om den eersten Meidag op eene vrolijke wijze te vieren. Men onthaalde elkander op eene soort van kruidenwijn,Meidrank geheeten; er werden Meiboomen geplant, om welken men hand aan hand danste en onderscheidene [114]liederen zong: in één woord, de wederkomst der Lente, baarde allerwege de luidruchtigste vreugd.

Ook bekleedde oudtijds het beulingmaal eene der voornaamste plaatsen onder de eigenaardige gewoonten der Texelaars. Ziehier, wat een ooggetuige daarvan verhaalde.

„Eens was ik met mijn vriend en verder gezelschap door den boer van het landgoed te beuling verzocht, hij ontving ons, zittende in een lederen armstoel. Hij stond niet op, maar zijn stoel verschuivende, zeide hij aan de dames: „[ontbrekende tekst] ik zou je deuze stoel wel geven, maar mij dunkt, hij staat mij het best.” „Wij zetten ons daarop aan tafel. Het eerste geregt bestond in een opgehoopten schotel met boterhammen zonder meer; het tweede, in eenige kluiven spek, en daarover drie gebraden eendvogels. Dit werd gevolgd door een schotel met gort, gemengd met stroop, varkensbloed en wat reuzel, aan dobbelsteentjes gesneden en in de pan gebakken, en daarover een schotel van dezelfde eetwaren in darmen gestopt, en op den rooster gebraden; hierop volgde een ontzaggelijke bak met rijstenbrij, die, zoo als verhaald werd, des ochtends ten vier uren reeds van het vuur genomen was, en vervolgens in het hooi had staan meuken. Het nageregt was wederom boterhammen, die, gemaakt van platte beschuit en tarwebrood, dominéesstukken genoemd werden.—Zoodanige maaltijd wordt bij deze Eilanders voor eene vrolijke uitspanning gehouden, doch na den eten vertelde de boer mij,met aandoening, dat men nu niet meer zoo vrolijk was, als in voorleden tijden; ja, Mijnheer! zeide onze gastheer, dan aten wij ons zoo rond, dat wij in het veld op den rug moesten gaan leggen, met den mond open, om adem te scheppen, zoo als mij dikmaals gebeurd is.”

(Men bedenke dat de tijd, waarvan die boer sprak, nu reeds meer dan twee eeuwen verleden is.)

Deze beuling-partijen bestaan hier nog, hoezeer het vieren [115]derzelven niet buitensporig (zoo als van ouds) genoemd kan worden. Zij bestaan alleen in het opdisschen van de zoogenaamde Beuling-Gort, zamengesteld uit gort, stroop, rozijnen, kluitjes varkens-reuzel en vet, met een weinig varkensbloed en nagelgruis er in, en voorts van de beuling, welke uit die zelfde deelen zamengesteld, in schoongemaakte varkensdarmen gestopt is, en die, na gekookt en in stroo gemeukt te zijn, wordt opgedischt.—Ook in dit opzigt heeft de meerdere beschaving der Texelaren het hare toegebragt, om het belagchelijke van de van ouds bestaan hebbende beulingsfeesten, welke in zwelgerijen ontaardden, weg te nemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *