1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

„Zij verkregen niet alleen verlof om altijd wateringen, sluizen en geulen te mogen leggen, dààr hun gadelijkst dunken zoude, maar ook eenen Dijkgraaf te stellen over hunnen nieuwen dijk. Deze gift werd, ten verzoeke van vrouwe Margaretha, door Hertog Filips van Bourgondië, als Graaf van Holland, op den 2den Augustus deszelven jaars bevestigd. Dit geschiedde vervolgens mede door KeizerMaximiliaan, op den 4den Augustus 1488, ten verzoeke van Cornelis Crusink, toen Schout van Texel, en Houtvester van Holland, benevens anderen, als erf- en regthebbenden van Daniel van Nijewaalen Jan van Noirde. De Keizer verbeterde deze gifte met een stukje lands genaamd Harde Cogge, onder een erfpacht van ƒ 6.—Hij bepaalde de koorntienden, na den vrijdom der eerste 10 jaren, op eene erfpacht van ƒ 15, en gaf de Ambachts-Heerlijkheid, met den Ambachtsgevolgen uit, voor eene dergelijke erfpacht van ƒ 6; zoodat de Erfpacht in het geheel ƒ 27 ’sjaars beliep. Maximiliaan behield echter aan zich zelven, of, aan het Schouten-Ambt van Texel, de kennisse in ’t voordeel van alle boeten en breuken, crimineel of civiel, van welke zuivere afkomste, alleen één derde zou komen aan de verzoekers (Requestranten) in dezen.

„De latere herdijking geschiedde volgens twee octrooijen van vrijdom door ’sLands Staten, in dien jare gegeven. De onderneming, hoewel eerst ongelukkig, had eindelijk [109]eenen goeden uitslag; maar de onkosten, die eerst op ƒ 28.000 begroot waren, beliepen, toen het werk voltooid was, ƒ 130.000, gelijk blijkt uit een octrooi van den 6den Julij 1619.—In den jare 1743 is, bij een nieuw octrooi, de vrijdom weder verlengd.—Burgemeesteren van Texel, hebben in den jare 1616, volgens uitspraak der Gecommitteerden in den Haag, op zich genomen, het onderhoud van 200 Texelsche Roeden in den Walenburger dijk, gelijk die toen was, en drie jaren later bewilligden zij, dat de sluizen in Walenburg, op gemeene kosten zouden onderhouden worden. De Polder werd in 1620, door den landmeeterJan Pietersz. Douw gemeten, en 733 morgen, 397 Roeden, Rijnlandsche maat groot bevonden.”—