1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Inzonderheid waren er bij het koopcontract bepalingen vastgesteld, ten opzigte van den van oudsher bestaande postrid, naar het Eijerlandshuis en de gemeenschap met de postschuit van Vlieland, als ook van den bijstand, zoowel aan den postillon als aan de schippers te verleenen.

Nadat de overdragt op deze wijze haar beslag had erlangd, werd er door de respective koopers, in verband met andere geassociëerden, eene Maatschappij opgerigt, welken den naam van Societeit van Eigendom van Eijerland heeft, welke hare werkzaamheden onder het onmiddelijk beheer, der drie eerstgenoemde Heeren, als deskundigen geadsisteerd door een viertal deelhebbers, aanvaardden en al aanstonds het plan ter bedijking ontwierp.—Dit plan werd in den verbazend korten tijd van circa 20 weken, (van medio April, tot het begin van September,) geheel voor eigen rekening, met 1500 werklieden ten uitvoer gebragt; en weldra zag men eene oppervlakte van 3165 bunders land, door eenen dijk van 11.122½ el lengte, tegen de overstrooming der zee gewaarborgd. Deze dijk werd aanWoltherduin begonnen, en strekt zich van daar, in 10 regte lijnen, tot aan den Ruigendijk uit.—De lengte dier lijnen is echter zeer verschillend; zoo is b. v. de eerste 1608, en de 9de 283 ellen lang, terwijl de dijkshoogte gemiddeld 3.50 el boven vol zee verheven is.—De dijk is voorzien van twee steenen duikersluizen. Beiden hebben denzelfden inhoud, alhoewel de Noordelijkste, alwaar de dijk het zwaarste is, de grootste lengte heeft, beiden zijn 2 ellen breed en diep. De bodem van den drempel ligt 2.37 ellen onder volzee, of 2.86 ellen onder terrein.

Van deze sluis, welke het eerste stroomde, en die daartoe dan ook eene veel betere ligging heeft dan die der Hoogezands-kil, [101]werd de dam, in September doorgestoken en het water ingelaten door den Heer Marten Douwes Teenstra, Directeur van Landbouw, die tevens met de indeeling en het cultiveren van den Eijerlandschenpolder belast was.

Te gelijk met het leggen van den dijk, werd, aan de binnenzijde er van, een kanaal gegraven van 20 ellen == terrein breed, en 12 ellen in den bodem. Dit kanaal leverde het grootste gedeelte der, tot het maken van den dijk, benoodigde specie op.

Over het geheel is Eijerlands bodem een vrij gelijk terrein, dat gemiddeld 0,50 el, boven volzee gelegen is, uitgenomen eenige begroeide zandvlakten. Deze zandvlakten zijn, van den Ruigendijkafkomende, op Texel bekend, als: het Lammerbults-zand, dat ten westen van den Meeuwenbol ligt; de Bolletjes (gebroken land met bollen), Koebultszand, Arm der Hoogezandskil en Oosterduin-zand, bij Zanddijkshuis; terwijl de voornaamste kreken, welke allen in het Dijkskanaal uitloopen, van die zelfde zijde afkomende, zijn: De Ruigendijks-zwen; de Breg– of Kwelder-zwen; de Kabeljaauwslufter; de Hoogezands-kil, de Kruisbalg; de Huisjeskreek of Oosterbollen-zwen;de Scheid-zwen; de Rogge-sloot; de Kleine-Zwen en de Groote-Zwen of Wolther-duins-kil.

De indijking nu volbragt zijnde, ging men al dadelijk tot de ontginning over, en reeds in Augustus en September 1835, werden er op 6 kavels land, te zamen ter grootte van 26½ bunders, proeven genomen met winterkoolzaad; den 12den Augustus werd de eerste akker, door den directeur van Landbouw, den reeds genoemden Heer Teenstra, met koolzaad bezaaid. Deze proefstukken lagen langs het kanaal, en bepaaldelijk het Noordelijkste op den Noorderhoek van de Groote Zwen bij Woltherduin, terwijl de overigen afgezonderd van [102]elkander, tot aan den Ruigendijk lagen. Men droeg zorg de bezaaide stukken lands, door het opwerpen van aarden dammen of dijkjes, hier tuinen genoemd, tegen het indringen van vee, te beschutten; en ofschoon het gezaaide veel door droogte leed, en later bovendien nog, ten gevolge van het niet in tijds afstroomen der sluizen, door het hooge binnenwater voor het meerendeel verloren geraakte, zoo leverde het echter nog 343 mudden zaad op, waarvan het Zuidelijkste stuk het meest rendeerde.

In den nazomer van 1835, en gedurende den daaraanvolgenden winter, werd Eijerland door wegen, slooten, togten en greppen ingedeeld. Tot basis dier indeeling nam men den Zanddijk, terwijl men op evenwijdigen afstand van dezen, twee strekkende wegen afgroef. De Oostelijkste, welke het naast aan den nieuwen dijk ligt, en Hoofdweg wordt geheeten, heeft eene breedte van 14 ellen. Ter wederzijde loopt eene sloot van 5 ellen breedte, op eene diepte van 1½ en ½ el in den bodem; voorts aan elke zijde eenen berm van 1 el en ½ el talud, terwijl de kruin eene breedte van 11 ellen heeft, met eene tonrondte van 0.90 el boven terrein. Deze Hoofdweg strekt zich van den Ruigendijk, of limietweg, in eene regte lijn, 7447½ ellen uit, tot dáár waar hij tegen de tweede dijklinie stuit.

De Postweg, welke 1280 ellen westelijker ligt, is gelegen tusschen slooten van 2 ellen, waarvan de Oostelijke later tot 5 ellen is verbreed, en heeft eene breedte van 10 ellen. Ook de dwarsslooten hebben diezelfde breedte, en zijn insgelijks palende aan slooten van 2 ellen breed.—Door de twee genoemde strekkende hoofd- en vier dwarswegen is Eijerland regelmatig verdeeld in sectiën van 200 bunders ieder; elke sectie bevat 10 gelijke perceelen, elk ter grootte dus van 20 bunders, welke in metjes, van éénen bunder elk, door greppen, ter breedte en diepte van ½ el zijn afgedeeld.—Diensvolgens [103]hebben op Eijerland de bunders eenen langwerpig vier hoekigen vorm. Die, tusschen de Roggesloot en Eijerlands-huis, zijn 250 ellen lang en 40 ellen breed, en die, tusschen de Roggesloot en Ruigendijk, zijn 312½ bij 32 ellen.—

De hooi- en weilanden bij Eijerlandshuis, reeds vroeger met slooten doorschoten, heeft men in den ouden vorm gelaten. Deze, zich hier bevallig voordoende duinkom, heeft aan de tegenovergestelde zijde, gevaarlijke N. W. loopende buitengronden, welke eene hoogst gevaarlijke offerbank voor de zeelieden uitmaken, en als zoodanig ook op de zeekaarten aangeteekend zijn.

De Noordelijkste uithoek van Eijerland, welke sterk vooruitspringt, draagt den naam van het Engelsche kerkhof, ter oorzake van de menigte schipbreukelingen, welke hier den dood vonden en begraven werden. Geen wonder, dat men van Engelsche zeelieden, bij het spreken over Eijerland, meermalen hoort zeggen: Damm Egg Island!5

In het jaar 1836, werd de ontginning der gronden met meerder kracht doorgezet; terwijl daarbij tevens de veeteelt, door den aankoop van runderen en schapen zeer werd uitgebreid.

De oogst van de, in de Lente van genoemd jaar, aan den grond toevertrouwde zaden, welke bestonden uit 62½ bunders zomergarst, 78 bunders zomerkoolzaad, 15 bunders haver, 4 bunders maartegarst, 10 bunders aardappelen, 2 bunders meekrap, benevens 2 bunders paardenboonen, was, ten gevolge van het buitengewoon drooge en schrale jaargetijde, gansch niet voordeelig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *