1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Door den aanleg van den voorschreven zanddijk, werd hier veel buitenland aangewonnen, waarop in 1649 de Gecommiteerde Raden van het Noorderkwartier eene groote landmanswoning lieten bouwen, welke sedert dien tijd met het aangewonnen buitenland, waarop veel vee werd geweid, afzonderlijk van het Eijerland verhuurd werd. Te dien tijde, werden er op dit eiland vele konijnen en veel gevogelte gevonden. Er woonde toenmaals een kastelein, naar wien het Eijerlandsche Huis nog wel het huis van den kastelein genoemd wordt, en bij wiens woning toen slechts twee boerenhuizen of schaapskooijen stonden. Op kleinen afstand van des kasteleins woning, was eene vrij hooge kaap of steng, van waar men een vrij en ruim uitzigt over den Oceaan had.—De meeuweneijeren waren er ten eenenmale ontelbaar, en werden ingezameld van Mei tot 24 Junij, door en onder het opzigt van den kastelein, die daartoe bij uitsluiting het regt bezat, en gemiddeld 7 à 8 helpers noodig had. Zij werden òf op Texel verkocht, òf, en voornamelijk, naar Amsterdam en elders verzonden; ook werden zij wel als een welsmakend geschenk naar elders overgemaakt. Deze eijeroogst leverde den kastelein, behalve zijn gewoon jaargeld, een ruim inkomen op, hetwelk door de opbrengst der konijnen nog aanmerkelijk werd verhoogd.

Tegenwoordig begrijpt men onder de benaming Eijerland zoowel het voormalige Buitenveld als Oud Eijerland. Dit tegenwoordig Eijerland strekt zich in eene N. N. O. rigting van Texel uit, en grenst Noordwaarts aan het Eijerlandsche [97]Gat, waardoor het van het eiland Vlieland is gescheiden; Oostwaarts van de laagwaterlijn tot langs de palen van den Noorder-Zeedijk van Texel; Zuidwaarts aan de limitpalen, langs den Ruigendijk, welke vroeger de polders Oosterend, Waal en Burg, als ook het Koogerveld, tegen overstrooming beveiligden, en Westwaarts aan de Noordzee, waarin, ten Noordwesten van het Eijerlandshuis, de gevaarlijke Eijerlandsche gronden liggen.

Het gansche Eijerland, dat het thans Noordelijk gedeelte van het Eiland Texel uitmaakt, beslaat eene oppervlakte van 8000 bunders, waarvan de Noordelijke en Westelijke stranden en duinen, ter grootte van 2200 bunders, aan de provincie behoorden, terwijl de overige, zijnde domaniale gronden, die door nummerpalen afgedeeld en begrensd waren, volgens den kadastralen legger, eene grondvlakte van 5807 bunders, 98 □ roeden en 83 □ ellen besloegen, en waarvan 2565 bunders kwelderlanden waren, die tot weide gebezigd werden.—Bij eene latere hermeting, werd Eijerland’soppervlakte groot bevonden te zijn 5852 bunders, 98 □ roeden en 91 □ ellen.—Genoemde kweldergronden werden in vroegeren tijd met de oostelijke slikken en aanwassen door het Domeinbestuur verpacht. De laatste verpachting in drie percelen, zoo als dit steeds vroeger plaats greep, door de Permanente Commissie van het Amortisatie-Sijndikaat, werd gehouden den 24sten Januarij 1833. De toen verpachtte percelen waren:

1. Het Eijerlandshuis, met binnengronden en duinen, benevens een gedeelte van het Buitenveld, groot ongeveer 180 bunders;—

2. Het Zanddijkshuis, grenzende noordwaarts aan het vorige perceel, van den Zwarten paal in de Oosterduinen, langs de groote Zwen naar Waltherduin, en zuidwaarts palende aan het hier na te melden 3e perceel (Kwelderbeek), [98]bij paal b, onder den Zanddijk, groot p.m. 1022 bunders;—

3. Kwelderbeek, groot 1363 bunders, dat Noordwaarts paalde aan paal b en de Scheid-zwen, liggende Noordelijk van de Oosterbollen of Directiekeet; Zuidwaarts aan de palen bij denRuigendijk en paal 12 bij den kwelder Maikenduin. Dirkje Maikeduin en de vallei de Nederlanden, als ongans beschouwd wordende, werden afzonderlijk gebruikt, vermits bij de voorwaarden van verpachting bepaald was geworden, dat de Koogerduinen, Slufterbollen en andere deelen, alleen met getuurde schapen en geen ander vee beweid mogten worden.

Deze perceelen werden voor den tijd van zes jaren verpacht, t. w.

Eijerlandshuis voor ƒ 980. Op welk perceel de pachter in het laatste zijner pachtjaren weidde 220 schapen, 35 runderen en 7 paarden, welke laatsten gebezigd werden, zoo ter binnenhaling van het hooi, als ten dienste der strandvonderij.

Zanddijkshuis, met Zanddijkshoe aan den Noordkant van de Roggesloot, en een herdersstulp bij de Doodemansbollen, zuidwaarts van de Roggesloot, voor ƒ 1340. De pachter weidde hier 800 schapen, eenige koeijen en paarden, benevens eenig jong vee.

Kwelderbeek, met de herderswoning op de Oosterbollen, aan den slufter van dien naam, voor ƒ 2140, hier werden geweid 1230 schapen, 6 paarden en 20 runderen.

Het toenmalig zielental dezer drie pachthoeven, waarbij twee herdershuishoudingen, bedroeg ongeveer een 30tal personen. Deze vijf gezinnen erlangden hun bestaan in de schapenteelt, het zoeken van eijeren, de konijnenjagt4 en de strandvonderij.

Reeds vroeg echter was het denkbeeld ter bedijking van [99]het Buitenveld geopperd. Zoo vormde o. a. Leendert den Berger, woonachtig op het buitengoed Brakenstein, tusschen het Oude Schild en De Burg, reeds in 1573 het plan daartoe; tegen dit plan werd echter, vooral door de Provinciale staten van Friesland, geijverd.—Eerst in 1835 kwam het ontwerp ter bedijking van Eijerland, op eene uitgebreide schaal, tot stand, ten gevolge van een, door vier personen, aan den Koning daartoe gerigt verzoek. Den 21sten Februarij van dat jaar werd het geheele Eijerland, tegen eene koopsom van ƒ 90,000, te betalen in 12 jaarlijksche termijnen, met eene interest van 2½ % voor het onbetaalde, te rekenen met 1 Januarij 1835, in vollen eigendom overgedragen aan de H. H. Paulus Langeveld Kzn. te Giessendam, Willem Langeveld Kzn. te Hardinxveld, Marcellus Leendert Plooster, te Ameide en Tienhoven, alle aannemers van publieke werken, en Nicolaas Josephus de Cock, Handelaar te Rotterdam.

De eigendomsoverdragt had plaats, als tiendvrije eigendom, op den voet als Eijerland en het Buitenveld door het Rijk bezeten waren, en onder de gewone voorwaarden van eigendomsovergang, met het regt van visscherij en jagt.—Volgens contract, waren de koopers verpligt, de gekochte en daartoe geschikte gronden, binnen den tijd van 8 jaren te bedijken. Vooraf echter moesten de plannen dier bedijking ingezonden worden aan, en goedgekeurd door het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, terwijl de koopers zich tevens moesten onderwerpen aan alle verordeningen, welke opzigtens het bedijken, toen bestonden, of nog gemaakt mogten worden; voorts werd bepaald, dat de koopers de duinen op de domaniale gronden, door helmbeplanting moesten onderhouden, terwijl het Rijk zich het regt voorbehield van overpaden voor wagens, paarden en personen naar de door aanslibbing nog te verkrijgene gronden, buiten de limiet van het verkochte land, en dat [100]wel zonder eenig bezwaar of onderhoud voor den Staat, voorts eene vaart op de te graven kanalen, zonder eenige betaling of tegemoetkoming van tollen, vaarten, bruggen, enz.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *