1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

In 1846 werd aan den Heer P. Langeveld, C. S., te Texel, concessie verleend tot wederindijking van voornoemde gronden, en wel, onder den naam van Prins Hendrik Polder. Na getroffen overeenkomsten met den aangrenzenden eigenaar D. de Graaf, het dijkskollegie van Texel en andere besturen, werd eene maatschappij met 60 aandeelen opgerigt. [92]Naar het plan van den bekwamen opzigter en landmeter, P. van der Sterr, werd de sluis aangenomen door J. van Haaften & Co. van Sliedrecht, voor eene som van ƒ 16,600, welke in September 1847 voltooid was. Met het begin van 1847 werd eenen aanvang gemaakt met het leggen van den dijk, die niet publiek werd aanbesteed, maar door concessionarissen en deelhebbers, met een genoegzaam aantal werklieden gemaakt zoude worden. Gebrek aan rijs, en andere bijkomende omstandigheden, werkten echter zoodanig tegen, dat de dijk niet vóór den winter gereed konde zijn, dien dan ook in dit barre getijde, groote schade werd toegebragt door elken buitengewonen vloed en harden wind. Daarom besloot men de verdere voltooijing van den dijk, ter lengte van 3522 el, aan te besteden, ten gevolge waarvan de aanneming geschiedde door A. Visser, Pz. en Co., van Sliedrecht, om denzelven vóór of op 1 Augustus 1848 te voltooijen. Medio Julij echter was de dijk reeds voltooid, opgenomen en goedgekeurd.

In het begin van 1848, werden er 42 aandeelen aangekocht door Z. K. H. Prins Alexander der Nederlanden; terwijl de overige aandeelen werden vertegenwoordigd door Jhr. P. A. Reuchlin, te Tiel.

Het verdere beheer en toezigt over de werken van verkaveling, bemaling en voltooijing, werd vervolgens opgedragen aan den Ingenieur van den Waterstaat Jhr. J. Ortt van Schonauwen1, door wien het bouwen van eenen vijzelwatermolen, en andere werken werd aanbesteed.—Daarna werd de polder opgemeten, in kaart gebragt, en het op de kaart voorgestelde plan van verkaveling goedgekeurd; welke verkaveling den 20 September 1848 werd aanbesteed.—

Reeds bevorens, in Maart, was de opbouw eener boerderij [93]aanbesteed geworden, welke werken allen, uitgezonderd een gering gedeelte der verkaveling, in den loop deszelfden jaars werden voltooid; terwijl men in het begin van 1849, het ingesloten water, reeds tot 0,20 el beneden het laagste land, had uitgemalen.—

De bedijking van den Prins Hendrik-polder, had echter vier der duikersluisjes, welke in de dijken der omliggende polders tot uitwatering dienden, ingesloten en buiten effect gesteld, waardoor men dus genoodzaakt werd om sluizen te bouwen in den dijk des nieuwen polders.—Diensvolgens besloot men, ééne sluis met drie openingen daar te stellen, om door gezamenlijke uitstrooming, buiten beter diepte te kunnen behouden. De grootste of noordelijke dezer openingen dient alsnu tot ontlasting van het water uit de oude landen van Texel, dat voor de Zuidhaffeldersluis gelegen in den Texelschen zeedijk, nabij de Redoute wordt aangevoerd; de middelste opening dient regtstreeks tot uitwatering van den Prins Hendrik-polder zelven, terwijl eindelijk de derde of zuidelijke opening tot lozing van het water in de polders Hoorner-Nieuwland en Buitendijk dient.—Midden door den polder heeft men eenen hoofdweg gelegd ter breedte van 9 ellen, benevens twee kruiswegen, welke den eersten regthoekig snijden, en strekkende tot naaste communicatie met de sluis en den gemeenteweg, tusschen de dorpen den Burg en den Hoorn, terwijl de hoofdweg eene zeer geschikte gelegenheid aanbiedt tot vervoer van goederen en gewassen, van en naar den beschelpten Texelschen zeedijk, en verder van en naar de haven van het eiland.

De polder is verdeeld in 22 kavels, ieder van 20 bunders, uitgenomen de eerste en laatste kavel, welke eene kleinere oppervlakte hebben; iedere kavel is weder verdeeld in 3 of 4 onderdeelen.[94]

De oppervlakte van den Prins-Hendrik-polder is vrij effen en vlak. Het hoogste gedeelte vindt men langs de dijken van het Hoorner-Nieuwland, de Grie en het Weezenspijk. De geheele oppervlakte beslaat 430 bunders; de eene helft klei-, de andere zandgrond.

Door de bedijking van den genoemden polder, zijn ook de landen van wijlen D. de Graaf, ter grootte van ongeveer 60 bunders, ingesloten. Deze waren in 1848 reeds grootendeels bebouwd met tarwe, winter-koolzaad, rogge en garst, welke gewassen eenen voordeeligen oogst hebben opgeleverd. Ook buiten den dijk van den polder, aan het Horntje, bezat genoemde D. de Graaf eenige landerijen, groot 16 bunders, welke mede in 1848 bedijkt zijn, waarbij voor een gedeelte gebruik is gemaakt van den nog overgebleven dijk van 1769.

Behalve de landhoeve, die voor rekening van Z. K. H. Prins Hendrik in 1848 op Kavel No. 19 werd gebouwd, liet Jhr. P. A. Reuchlin, op Kavel No. 20, mede eene aanzienlijke boerderij zetten, terwijl er mede in dit jaar, ook op de landerijen van D. de Graaf, eene bouwhoeve is gesticht.

Aldus erlangde Texel, door de bedijking van den Prins-Hendrik-polder, eene belangrijke aanwinst, naardien daardoor bijna 530 bunders lands aan de zee ontwoekerd zijn.