1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Aan De Koog is zelfs geen spoor meer overig van de visscherij en zeevaart, vroeger zijne mildvloeijende bronnen.

De weinige inwoners, welke zich thans hoofdzakelijk op de veeteelt, en bepaaldelijk op de schapenfokkerij toeleggen, leven zeer eenvoudig. Jammer maar, dat de gesteldheid van den grond in deze streek, zoo schraal en door gebrek aan behoorlijke waterleiding zoo ongezond, of, zoo als men hier zegt ongans, is. Vooral noordwaarts van hier, op het zoogenaamde Koogerveld, vindt men moergronden met pollen en spichtig gras.

Het Kooger kerkje is een vrij net, doch klein steenen gebouw, voorzien van een houten koepeltorentje en uurwerk.

De eerste leeraar welke hier het predikambt bekleedde, was Petrus Serooskerke, die hier in 1632 beroepen werd, en in 1637 overleed.—Na den dood van den predikant Henricus Lambertus Glasvoort, die op den 7 October 1808 overleed, [85]zijn de Hervormden gecombineerd met de Waal. De Roomschgezinden behooren tot de gemeente van Den Burg, terwijl de weinige Doopsgezinden, mede tot die van Den Burg behooren.—Het aantal leerlingen der openbare school aldaar, bedraagt gemiddeld 30 kinderen, zoo van het dorpje zelf, als van het omliggende veld.—

Oude lieden weten, bij overlevering, dat de Koog zich heeft uitgestrekt tot de oude kerk, welke echter, blijkens de afbraak en het kerkhof, slechts klein moet zijn geweest.

De visschers geven den naam van Noord-Koog aan eene plaats in de Zuiderzee, Z. Z. O. van De Koog gelegen, waar men, naar men zegt, nog heden eenen weg van duifsteen vindt. Dezelve ligt ééne mijl van den Texelschen wal af, en is, naar gissing, ¾ mijl lang. Deze plaats wordt ook wel de Straat genoemd.—