1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

De Roomsch-gezinden, welke hier ruim 460 in getal zijn, maken, met die van de Koog en de Waal, eene gemeente uit. Zij bezitten hier eene zeer nette kerk, welke aan den H. Johannes den Dooper is toegewijd; staande aan de westzijde van het dorp. Het orgel is in 1840 vernieuwd.—

Vroeger stond op eenigen afstand van het dorp, op de eigenlijke hoogte van den zoogenoemden Hoogen berg, eene kapel, welke, naar men wil, tot het Klooster der Tempelieren behoord heeft.—Dit gevoelen wordt echter wederlegd door anderen, die de plaats van dat Klooster elders aanwijzen, namelijk [71]in den polder Gerritsland. Deze kapel is later tot een woonhuis of herberg ingerigt, en diende tot een baken in de Zuiderzee. De tand des tijds heeft echter ook op dit gebouw zijnen vernielenden invloed zoo zeer uitgeoefend, dat daarvan in 1800 zelfs geen spoor meer overig was.

De Doopsgezinde gemeente, welke op Texel 450 leden telt, is vereenigd met die van Waal en Oostereind. Zij heeft hier eene ruime kerk; doch zonder orgel of toren.—

Het vroegere Raadhuis aan Den Burg, een ouderwetsch en zeer bekrompen gebouw, welks stichting van het jaar 1611 dagteekent, is in 1841 door een ander gebouw vervangen, dat als Raadhuis allezins doelmatig kan genoemd worden. Inzonderheid trekt de zoogenaamde Raadzaal de aandacht, zoowel door hare ruimte, als door hare smaakvolle versiering.—Men vindt in een der vertrekken twee levensgroote portretten van de Nederlandsche vlootvoogden De Ruiter en Tromp. In de nabijheid van het Raadhuis staat eene, sedert 1836 herbouwde, overdekte vischmarkt.—

In de nabijheid der Hervormde Kerk, in het Zuidoostelijk deel van het dorp, stond vroeger een Nonnenklooster, waarbij een kerkje, toegewijd aan de H. Agnes. Dit klooster, in 1572 door de bewoneressen verlaten zijnde, werd door Prins Willem I aan het eiland Texel afgestaan, om het tot een Algemeen Weeshuis in te rigten; waartoe het nog dient.—In de archieven van dat gesticht bevindt zich nog een geschrift, waarbij de overgifte van meergemeld gebouw beschreven staat, en tevens een naïf verhaal bevat van de rampspoedige reis der twee Texelsche burgemeesteren, in 1573 naar Delft, aan den Prins gecommitteerd, om het St. Agnieten Klooster, gelegen binnen Den Burg, tot een Weeshuis te verzoeken.

De bekwame en ijverige Archivarius Dr. P. Scheltema, maakt ook melding van dat stuk, in de Bijdragen voor [72]Vaderl. Geschiedenis en Oudheidkunde, deel IX, alwaar wij het volgende lezen:

„Het Huis op het Eiland Texel, hetwelk eertijds gebouwd was door de Gravin van Holland, genaamd Vrouw Jacoba, plagt na haren dood bewoond te worden door den Schout van Texel. In het jaar, toen men schreef 1571, is er een groot oproer gerezen in den lande van Holland, te weten, tusschen de twee partijen die genoemd worden, de eene partij, de Papisten, en de andere, de Geuzen. Dit was ter oorzake van de religie.—De Geuzen hebben met vier en dertig oorlogschepen alhier in het Marsdiep gelegen, en zijn met hunne magt aan land gekomen. Zij hebben tegen die van den Burg gevochten, en de burgers moesten de vlugt nemen. Toen werd het voorzegde huis verbrand. Na dien tijd was er een officier, genaamd Jacob de Koning, van Haarlem, die in den Haag, aan de kamer van de rekeningen in Holland verzocht, om zijne woonplaats te mogen hebben, in het klooster aan den Burg, hetgeen hem bij provisie vergund werd. Wanneer de burgemeesteren van Texel dit vernamen, is daarop vergaderd het oude en nieuwe geregt, in den jare toen men schreef 1573. Eendragtelijk is besloten en geordonneerd, dat men de twee burgemeesteren zou committeren, om te trekken naar den Prins van Oranje, als toen zijnde Stadhouder van Holland, bij afwezigheid van den Graaf van Holland, Koning van Spanje, genaamd Philippus, den zoon van den Keizer Carolus Quintus, ten einde het voorzegde klooster te mogen verkrijgen tot een weeshuis, zoo ook de renten daarvan. Derhalve zijn de twee onderschreven mannen daartoe gecommitteerd.

Alstoen was er een groote oorlog in Holland, zoodat de eene stad tegen andere opstond, en het eene dorp tegen het andere, alzoo was in dien tijd de stad Haarlem vijandig tegen het eiland Texel.

De Haarlemmers hadden hunne vrijbuiters liggen bij Zandvoort, [73]voor het duin. Deze voeren met kagen en schuiten op zee, om de schepen te nemen, die uit het Marsdiep naar de Maas voeren. Om deze vrijbuiters te vermijden, zijn de voorschreven mannen met een galjoot zoo verre van het strand afgevaren, dat wij slechts even de duinen boven het water mogten zien toppen.

Wanneer wij omtrent Zandvoort waren, zoo is er een Schip uit zee gekomen, naar ons toehoudende. Bij ons gekomen, bleek het een vrijbuiter te zijn.

„Op het Schip stond de kapitein met een slagzwaard, het zwaaijende met beide handen. Hij riep met luider stemme, dat wij onze zeilen zouden strijken, en liet met bassen en roeren door de zeilen en de schuit schieten, zoodat de laatste lek werd, en het water er door heen liep. Toen dacht hij ons te overzeilen. Een man uit ons schip riep: „Voor wien zullen wij strijken, voor den Prins van Oranje of voor den Duc d’Alba?” De kapitein antwoordde: „Ik weet van Prins, noch van Duc d’Alba, strijk!” In onze schuit was de vrouw des schrijvers van den graaf van der Marck; deze riep uit: „Schipper, strijk, want ik ben geschoten!” Ik, Hendrik Albertsz, zat ter zijde van die vrouw, en het water liep van het schieten tusschen ons beiden door de schuit.

Achter werd bij den man, die aan het roer stond, een stuk uit het boord geschoten. Wanneer de vrijbuiter ons zoo na kwam, riepen wij allen te gelijk: „Schipper, strijk!” en toen streek onze schipper het zeil. Daarop leiden zij bij ons aan boord en overvielen ons met rapieren in de hand en met rondassen voor de borst. Ons slaande, zeiden zij: „Fluks over in ons schip!” Allen moesten wij te gelijk over, niet wetende, in wiens handen wij waren. Ik Hendrik voorschreven, kreeg een’ slag met een rapier op mijn schouder, zoodat ik meende, mijn’ arm kwijt te wezen, doch tot mijn geluk had men mij met het plat geslagen. Toen waren wij al te zamen [74]gevangen. Wij waren vier of vijfentwintig personen sterk, en moesten allen in het vooronder van het oorlogschip. Bij het overklimmen viel er een man over boord, het was een brievendrager van des Prinsen broeder, graaf Lodewijk, die met brieven uit Duitschland van Nassau kwam. Als wij hen gebeden hadden, dat zij hem bergen zouden, kregen zij hem vast aan een touwtje, waarmede hij opgehaald werd, maar zijne brieven wierpen zij in zee. „Daarover moet God zich erbarmen,” zeide de bode, „daar hangen landen en luiden aan!” De voorzegde schrijversvrouw gevraagd zijnde, of zij gekwetst was, antwoordde: „Ik ben geschoten door mijne kleederen, doch niet gekwetst.” Terwijl wij nu als gevangen waren in het donker van het schip, zoo kwam er door een luikje, hetwelk zoo groot was, dat er juist eene hand door kon, eene stem, zeggende: „Is er ook iemand van de gevangenen, die geld heeft, deze geve het aan mij, want ik ben een gevangen man, even als gij zijt; gij zult allen straks geplunderd worden. Ik ben een schipper uit Waterland, zij zijn met mijn schip weggezeild; en als gij mede geplunderd zijt, zal ik met ulieden aan land varen.” Maar niemand van ons gaf hem zijn geld, hem niet betrouwende, en denkende, dat hij een vrijbuiter was. Toen deed hij het luikje weder toe, en ging van ons weg. Kort daarop werd er een groot luik open gedaan, en men zeide tot ons: „Laat een van de gevangenen voorkomen! doch elk vreesde om de eerste te zijn. Eindelijk ging er een van de voorsten, die geplunderd en doorzocht werd. Daarna moest er weder een ander komen, tot den laatsten toe. Niemand mogt iets behouden, dan de noodigste kleederen. Al wat los was, namen zij ons af, tot mantels, hoeden en linnen toe. Echter behielden wij tot ons geluk onze brieven, daar wij blijde over waren, wegens de zaken beroerende het klooster, hetwelk wij tot een weeshuis wilden verkrijgen, en nog meer andere brieven van ’s lands zaken. [75]Toen wij geplunderd waren, moesten wij weder in de lekke schuit. Wij stopten de lekken zoo goed mogelijk, en maakten de schuit weder zeilreê. Zij lieten ons daarop drijven, zonder dat wij iets behouden hadden. De zeeroover kwam vervolgens nog eens naar ons toe zeilen. Wij hadden eenen man in onze schuit, die de kapitein van het schip kende. Hij zeide, dat het een Engelsche zeeroover was, kapitein Jonge Jan Grijsveld. Alzoo kwam dezelfde zeeroover met zijnen voorsteven naar de zijde van onze schuit zeilen, zoodat wij niet anders dachten, of hij zou ons overzeild hebben. Waarop wij overluid riepen; „Heer! in uwe handen bevelen wij onzen geest.” Toen met den steven bij onze schuit komende, leide hij zijn roer over en schampte van de schuit af, al stootende en rakende. De roovers zwaaiden met de hoeden, tot schimp en spot over hunnen geroofden buit, en wij bedankten hen, dat zij ons nog gegund hadden het leven te behouden. Daarna voeren zij van ons af. Vervolgens kwam er eene krabbeschuit uit de Maas, welke hij straks weder aan boord klampte, deze doende gelijk hij ons gedaan had. Later voer hij uit ons gezigt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *