1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Men ondernam echter thans geen verderen aanval op de Schans, maar trok naar den Burg, om ook dáár de vlag der onafhankelijkheid van den kerktoren te doen wapperen.—De zaak erlangde echter den volgenden dag een gewigtiger aanzien. Op den Hoogen berg kwam namelijk een korps van ongeveer acht honderd man bijeen, voorzien van allerhande wapentuig, en gezind, om op dezen dag de bevrijding van Texel te voltooijen. Dit vorderde echter de inneming eener sterkte die, zoo door bezetting als geschut en proviand, zeer wel ter verdediging was toegerust. Men had echter besloten, ook tot dit uiterste te komen, doch overlegde tevens daarbij, dat het raadzaam ware, de plaatselijke regering hiervan vooraf kennis te geven. Deze werkte dit voornemen zeer in de hand, en had zich bereids bezig gehouden met het beramen van maatregelen, ter ondersteuning van dit heldhaftig voornemen. Zij deed het voorstel, om eerst den weg van onderhandeling te beproeven, hetwelk algemeen werd goedgekeurd.

Nu begaven zich eenige gemagtigden naar het fort, welke daar binnengelaten werden en met den Franschen kommandant in onderhandeling traden, hetgeen ten gevolge had, dat des namiddags ten 5 ure een verdrag getroffen werd, waarbij men bepaalde, dat een detachement schutters de kleine poort inhouden, en de bezetting den volgenden morgen met krijgseer zoude uittrekken, om terstond op daartoe geschikte vaartuigen vervoerd te worden. Dit verdrag werd algemeen en met vreugdegejuich goedgekeurd, waarop elk in vrede en rust huiswaarts keerde.

Dan, niet lang duurde deze rust, naardien men ontdekt [60]had, dat de Plaatsmajoor toebereidselen maakte om het fort te laten springen. Kapitein Van Breeningen nam daarop het moedig besluit, om zich van dien trouwelooze te verzekeren, en bragt, zoodra het voornemen van den Plaatsmajoor ruchtbaar werd, alles in den nacht op de been, waarop, na eene nieuwe raadpleging van de overheid met de hoofden van den opstand, geoordeeld werd, dat het verdrag geschonden was. Zij, die de vorige bezending hadden uitgemaakt, werden nu andermaal naar den Franschen bevelhebber afgevaardigd, en eischten nu de overgave der sterkte, op genade of ongenade, daarbij voegende, dat weigering of draling door eenen oogenblikkelijken storm zoude gevolgd worden. De bevelhebber de wettigheid der vordering erkennende, waarbij hij tevens zijn leedwezen te kennen gaf over hetgeen thans gebeurd was, gaf zich daarop, onder betuiging dat hij zijn vertrouwen stelde op eene edelmoedige behandeling, met de bezetting als krijsgevangenen over, aan welk vertrouwen ook beantwoord werd, door hem, op zijn woord van eer, te ontslaan.

De bezetting van het fort door de schutters, en de ontwapening en inscheping van alle Fransche en andere vreemde krijgstroepen nam dadelijk eenen aanvang, terwijl de Plaatsmajoor, die zich in zijne dolzinnige woede steeds weêrbarstig aan alles en jegens allen betoonde, geboeid aan boord werd gebragt. Deze krijgsgevangenen werden alsnu terstond met vaartuigen, waarop eene gewapende wacht was geplaatst, naar Amsterdam getransporteerd, alwaar zij aan den Admiraal Verdooren werden overgeleverd.

Texel, nu geheel van vijandelijke magt bevrijd zijnde, nam Kapitein Van Breeningen, op dringend verlangen der burgers, het opperbevel op zich. De overgeblevene krijgslieden, aan wier keus, vertrek van Texel, of trouw aan het vorstelijk huis van Oranje-Nassau, was gelaten, schaarden [61]zich volgaarne onder zijne bevelen. De onderscheidene punten van defensie werden daarop van de noodige bezetting voorzien, terwijl men elkander trouw zwoer tot in den dood, zoo men van de zijde van den Helder weder met nieuwen dwang bedreigd mogt worden. Spoedig daarop ontving men vanAmsterdam de noodige wapenen en ammunitie, waardoor men in staat werd gesteld, om, na verloop van eenige weinige dagen, vijf kompagnieën, te zamen uitmakende een korps van ongeveer achthonderd man, wel uitgerust en volledig gewapend, op te rigten. De Heer Ahlé, die zich bij het geheele bevrijdingswerk door beleid en moed, meer dan gunstig had onderscheiden, nam, alsLuitenant-Kolonel, het bevel op zich over dit battaljon, terwijl de gewapende burgermagt gedurende 5 maanden met de meeste bereidvaardigheid het eiland bleef bewaken, tegenover eenen magtigen vijand, die, eerst na verloop van dien tijd zijne geduchte positie verliet. Spoedig daarna keerde de oude orde van zaken terug en werd op Texel niet weder verstoord.


Een ander en nog magtiger vijand echter, verontrustte in 1825 dit eiland, op eene andere wijze.

Neêrland’s gevreesde nabuur, de Noordzee, sloeg bij den stormvloed van Februarij onderscheidene gaten in den Zuiderdijk, zoodat de polder het Grie overstroomde, waardoor ook de binnendijk bezweek en al het land ondervloeide. Een groot geluk evenwel was het voor de eilanders, dat de meesten hunner in de op heuvels gebouwde woningen konde blijven, waardoor ook het meeste vee behouden bleef. Ook voer de reddingsboot, ofschoon met groot gevaar verzeld, gedurig af en aan. Eens, in den nacht, te digt aan de dijkbreuk gekomen zijnde, werd zij door den stroom, veroorzaakt door de eb, bijna naar buiten medegesleept. Met inspanning van vereenigde krachten redde men zich ter naauwernood [62]tegen den binnenkant van den dijk. Een andere keer werd zij door eene onweêrsbui en hoos beloopen, die de boot het onderst boven wierp, en vijf der manschappen overstelpte, zonder dat echter iemand hunner het leven verloor.

Ook de andere zeedijk, digt bij het Oude Schild gelegen, dreigde te zullen bezwijken, doch werd met veel krachtsinspanning bewaard.


1Sturiërs…… Zij hadden van voren tot grenspalen de Noordzee, van achteren en aan beide zijden waren zij besloten door rivieren, namelijk de Sala of IJsselstroom, die, eer Drusus den Rijn daarin bragt, zich bij het eiland Texel ontlastte, en de Vliestroom. Verder waren zij omringd van het Meer, hetwelk tusschen het eiland Flevo en het verdere strand der Friezen lag, alsook door denzelfden Vliestroom, wederom smaller geworden zijnde: zoodat het voornoemde eiland binnen die palen begrepen was. Enz. (Van der Aa, Aardr. Woordenb.)

2Zie voorts Aanteekening, in het laatste Hoofdstuk van dit Werk.

3Zie ook: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, geschetst door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.

4Zie ook: Het Eiland Schiermonnikoog en zijne Bewoners, geschetst door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.

5Volgens Dr. Acker-Stratingh, beter de Rekere. Zie ’s mans beroemd werk: Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands.

6Kerkelijke Oudheden van Noord-Holland, bl. 399, in de aanteekeningen.

7Wanneer die landstreek, den naam van Graafschap hebbe aangenomen, en welke personen het bestuur daarvoor in oude tijden (vóór Graaf Dirk II) mogen gehad hebben, daarvan is mij, ondanks vele nasporingen tot nog toe niets voorgekomen.

8Drechterland, is eene landstreek in Noord-Holland, in de nabijheid en omgeving van Enkhuizen.

9Kennemerland, gedeelte der provincie Noord-Holland, tusschen de Noordzee, Kalandsoog, het oude Westfriesland, benevens Amstelland en Rijnland, gelegen.

10In 1422 komt voor eene quitantie van den pacht der windmolen ad. 100 gouden Vrancrixe Kroonen.—

11Mr. Balthazar Huijdekoper, Schepen der stad Amsterdam, en bekend door zijne dicht- en taalkundige werken, is mede Schout of Baljuw van Texel geweest.

12Naar sommigen willen, behoorden bij de genoemde tienden ook de koorntienden; de lammertienden gingen in op den 1en Mei.—

13Van die teruggave, zegt zeker schrijver, is nog een spreekwoord op Texel afkomstig. „Nog heden,” beweert hij, „zegt men op Texel, wanneer een jongeling aan een meisje eene eeuwige liefde zweert, als het maar geene Saxische eeuwigheid is, van drie jaren; omdat de Hertog van Saxen de Privilegiën, enz. der Texelaars, die hij voor eeuwig verbeurd verklaard had, reeds 3 jaren later terug gaf.—Geloofwaardige Texelaars hebben mij echter verklaard, genoemd spreekwoord nooit gehoord te hebben.”—

14In 1562 bestond op Texel nog het gebruik, dat de Eigenaars en Bruikers geen langer eigendom aan de landen hadden, dan van 1 Mei tot den laatsten Julij, wordende na dien tijd alles gemeene weide.

15In 1779 liep de Amerikaansche Kaperkapitein Paul Jones met twee Engelsche prijzen in Texel binnen. De prijzen werden, hoewel te vergeefs, teruggevorderd; alleen gaf men den bevelvoerenden officier ter reede van Texel in last, om zich met den kaper zoo min mogelijk in te laten. Deze stoorde zich hieraan echter niet, maar bezocht zelfs den schouwburg te Amsterdam, hetgeen zooveel opziens baarde, dat men een straatliedje op hem maakte. Het bekende: „Dáár komt Pauwel Jones aan,” enz., ontleende daarvan zijnen oorsprong.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *