1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Dit geweldig rumoer hield aan tot des avonds zes uren, toen vier personen, welke zich Afgevaardigden of Gecommitteerden van de oproerige volksmenigte noemden, ten huize van Buijskens kwamen, en hem uitnoodigden, zich met hen [55]naar hunne principalen te begeven, verklarende, dat zij, in geval hij zulks mogt weigeren, niet voor het behoud van zijn leven en van dat zijner echtgenoot en woning, te kunnen instaan. Buijskens, door den nood gedwongen, gaf gehoor aan hunne uitnoodiging, en volgde deze zoogenaamde Gecommitteerden naar de herberg De Vergulde Kikkert, alwaar hij voor eene vergadering van 25 man werd gebragt, waarin de reeds genoemde Lammert Dijke het woord voerde. Deze vroeg hem, op wiens bevel en waartoe hij thans op Texel was gekomen.—Het antwoord vanBuijskens, dat hij begreep desaangaande aan niemand verantwoording verschuldigd te zijn, dan aan Hun. Edel Mog., deed, zoo als trouwens te verwachten was, niets af. Evenmin het vertoonen van het besluit der Gecommitteerde Raden, waarbij hij in zijne waardigheid was aangesteld. Het opgeruide volk kwam niet tot bedaren, noch verstond reden, vóór dat hij beloofd had, binnen den tijd van drie etmalen Texel te verlaten, en zijn ontslag te verzoeken.—Buijskens begaf zich dien ten gevolge naar Amsterdam, van waar hij aan Gecommitteerden Raden van het Noorderkwartier, een breedvoerig verslag van het voorgevallene toezond.—Dit had ten gevolge, dat deze eene bezending naar Texel afvaardigden, die het gehouden gedrag der Texelaars ten zeerste afkeurde, doch het geraden vond, om, „uit overweging van de volstrekte onmogelijkheid, om hem, Buijskens, in zijnen post te doen voortgaan, zonder het eiland, zoowel als zijn persoon, aan verregaande gevolgen bloot te stellen, en omdat hij uit overtuiging daarvan zijn ambt geresigneerd had,” Buijskens van zijn ambt ontsloeg, waarmede de bewegingen ophielden.—

Ook gedurende de komst en overheersching der Franschen hier te lande, was Texel meermalen getuige van vrij levendige bewegingen.

Dit eiland, dat bij den aanvang van het jaar 1795, door [56]het menigvuldige ijs, op de reede, gedurende eenen geruimen tijd, alle regtstreeksche gemeenschap met den vasten wal moest derven, verkreeg eerst op het einde van Januarij des volgenden jaars, 1796, kennis van de komst der Franschen aan den Helder;—en, alhoewel de Texelaars voor verreweg het meerendeel, bekend stonden, als sterk verknocht aan het doorluchtig Vorsten Huis van Oranje-Nassau, ontbrak het hier, evenmin als elders, aan andersgezinden of patriotten. Groote en luidruchtige vreugde heerschte er bij deze laatsten, toen zij vernamen, „de Franschen zijn tot ons overgekomen”, nu zal het zijn: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, en even als op andere plaatsen, werden ook hier, op alle dorpen van het eiland, vrijheidsboomen geplant. De onderscheidene gemeenten kwamen te zamen, en verkozen hunne eigene volksvertegenwoordigers en regeringsleden. De Schout, Cornelis Theodorus Elout, een man, die in de algemeene achting der eilanders deelde, werd door de burgerij uitgenoodigd om aan het bestuur te blijven, terwijl de Secretaris, Cornelis Maronier, zijnen sedert 1787 verlaten post wederaanvaardde.—Eenige Fransche krijgsgevangenen, die zich sedert November op dit eiland bevonden, herkregen door dezen zamenloop van omstandigheden hunne vrijheid, en deelden met hun gansche hart in de vreugde der Patriotsche burgers van Texel. Deze nu vrijgelaten Fransche krijgslieden werkten zeer mede tot het behoud der goede orde, rust en eensgezindheid der burgerij, terwijl de Chef de Brigade Cantagnelle, inzonderheid door zijne welwillende raadgevingen, de nieuw verkozene volksvertegenwoordigers bijstand bood.

Toen daarop in 1799, tijdens de landing van de Engelschen en Russen in Noord-Holland, de geringe magt, welke zich te dien tijde hier bevond, en die uit omstreeks een 60 tal manschappen bestond, in het laatst van Augustus Texel [57]verlaten had, werd het den 29sten dier maand door de Engelschen, namens den Koning van Engeland en den Prins van Oranje, in bezit genomen. Alle openbare gebouwen werden in beslag genomen en ingerigt tot kazernering van een korps, dat zamengesteld werd uit overloopers en vrijwillige zeelieden, terwijl tevens de burgerij met de inkwartiering van nog andere troepen belast werd.

Door dezen zamenloop van omstandigheden werd de toestand van Texel’s inwoners steeds hagchelijker, aangezien in de behoeften, welke thans grooter dan gewoonlijk waren, bij gebrek van toevoer, niet kon worden voorzien; hier kwam nog bij, dat de Engelschen alles opkochten en naar hunne vloot verzonden. Hierdoor ontstond welhaast zulk eene schaarschte van levensmiddelen, dat er den 15denSeptember geene erwten, rogge noch boter, en slechts voor zes dagen gort aanwezig was. En, ofschoon men op de klagten daarover wel eenige maatregelen tot wering van gevreesd gebrek nam, zoo werden de Texelaars niettemin in de volgende maand genoodzaakt, den Engelschen 840,000 ponden kaas te leveren. Dan, weldra waren de Texelaars van dezen overlast bevrijd, daar de vijand reeds in November ons vaderland, en dus ook Texel, ontruimde.

Ook onder het Fransche bestuur had Texel, boven vele andere plaatsen, zwaar te lijden. De handel, die milde bron van welvaart, ook voor dit eiland, was ten eenemale gestremd, terwijl het, boven de willekeurige opschrijving voor de krijgsdienst, nog genoodzaakt werd tot levering van 120 kustbewaarders, onder Fransche bevelhebbers, wier ongehoorden dwang vele huisgezinnen tot den bedelstaf bragt.

Ook hier pleegden de douanen schandelijke afpersingen en kwellingen, terwijl de meesten der, van tijd tot tijd elkander aflossende, plaatskommandanten, maires, enz., zich door mishandeling, onregtvaardigheid, ja door allerhande verdrukking, [58]als geessels der menschheid deden kennen. Geen wonder voorzeker, dat de brave en vaderlandslievende Texelaars, welke ook hier sedert lang met ongeduld den slavenketen dier ondragelijke overheersching torschten, op het eerste gerucht van der Franschen aftogt uit Amsterdam, en de aldaar en elders ontstane bewegingen, zich ook hier gelden deden. Op den 18den October wapperde dan ook Hollands driekleur van den kerktoren te Oostereind. De Fransche adelaars werden van de huizen der beambten weggenomen; algemeen heerschte vrolijkheid en leven, zonder dat eenige baldadigheid hunne hartelijke en uitbundige vreugde onteerde. Dan, weldra werd Texel’s burgerij, door de strenge maatregelen van den aan den Helderbevelvoerenden Admiraal Verhuell tegen deze vreugdefeiten genomen, genoodzaakt, om Hollands vlag weder te strijken, en de herstelling der weggenomen Fransche standaards toe te laten, waarop eene gedwongene rust ontstond, die tot den 4den December voortduurde, toen het door den evengenoemden Admiraal bevolen vertrek van eenige gewapende schepen, welke tegenover het Oude– enNieuwe Schild gestationneerd waren, andermaal de gelegenheid openstelde, om tot de hervatting van het bevrijdingswerk over te gaan. Spoedig had zich dan ook te Oostereind en teNieuwe Schild, een korps van tachtig schutters gevormd, welke zich op de best mogelijke wijze van wapenen voorzien had. Deze vaderlandslievende menigte, heesch andermaal, op beide voormelde plaatsen, de Hollandsche vlag, en trok vervolgens naar het Oude Schild, alwaar men bij hunnen komst mede de vlag van den kerktoren deed wapperen. Na hier eenige versterking te hebben bekomen, trokken zij naar de Schans en hadden den moed, om deze sterkte, welke door eene talrijke bezetting, onder het bevel van een Fransch officier, verdedigd werd, en bezet was met het noodige geschut, ter overgave te eischen.—Hierop kwam [59]de sergeant, Willem Lourens, aan het hoofd van 27 man aan den buitenpost, welke door het afschieten der geweren in de lucht en het geroep van „Oranje boven!” het teeken des vredes en der verbroedering gaven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *