1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Na den dood van Willem IV, heeft zijn weduwe deze regten, welke eenigzins in verval schijnen te zijn geraakt, hersteld. Margaretha van Bourgondië, moeder van Vrouwe Jacoba, heeft de heerlijkheid van Texel in lijftogt bezeten, hetwelk blijkt uit een octrooi, door haar in 1436 gegeven, om den polder van Wal- of Waal-en-Burg, benevens eenige andere nabijgelegen polders te bedijken. De eerste bedijking van Waal-en-Burg dagteekent van den jare 1436. Deze polder brak daarna weder in, en werd andermaal bedijkt in 1612, toen zijnen vlakkeninhoud 700 morgen lands bedroeg.—

Krachtens de bezittingen, welke Vrouwe Margaretha van Bourgondië gehad heeft, vindt men waarschijnlijk onder de privilegiën van Texel, het handvest van Hertog Filips van Bourgondië, wegens den eed, door haar afgelegd aan al de ingezetenen der landen, die hem, na den dood van Vrouwe Margaretha, weder waren aanbestorven.

Genoemde Hertog beloofde, in 1442, voor hem en zijne nakomelingen, de heerlijkheid en het land van Texel in hooge of in lage geregten nooit te zullen verkoopen of vervreemden. De Texelaars verloren echter onder het bestuur van dezen vorst, alle hunne regten en handvesten, naardien zij zich, omstreeks 1426, met de Kennemers9 oproerig en wederspannig jegens hunnen landheer betoond hadden, en zelfs gepoogd hem de stad Haarlem te ontweldigen.

Dit vonnis werd hun echter 30 jaren later, gelijk met het opbrengen van zekere ongewone belasting op de haardsteden, kwijt gescholden en zij weder in hunne vorige regten hersteld.

Zij moesten van elke haardstede 4 grooten’s jaars betalen; [47]benevens andere straffen, breeder vermeld in de sententie tegen hen, gegeven in 1426; terwijl wij ten opzigte van de tienden, welke aan de tiendenaren moesten verstrekt worden, het navolgende lezen:

„Zij zullen ons tienden geven, den elfden schoef: de eigenaar is verpligt als het koorn rijp is, den tiendenaar driewerf te roepen, telkens zoo luid dat men het hooren mag over 7 akkeren: en komt de tiendenaar dan niet, dan mag de eigenaar het koorn uitzetten bij twee van zijne geburen, en den tiende een etmaal houden: na dien tijd er schade aan geschiedende, is de eigenaar niet gehouden tot vergoeding:—Voorts zullen die van Texel ons geven eens vronen schuld, (vroon is vrijdom van alle lasten, schattingen, loon, enz.) ten ware wij hen daarvan verdragen wilden.”10—

De Graven van Holland hadden omstreeks 1415, ter inning hunner renten, aldaar, op Texel eenen bijzonderen Rentmeester.

In 1489, was Claas Korf, Rentmeester, van wien aangeteekent staat, „dat hij onheuslijk zijn voordeel gezocht had, uit eene aanstaande reductie der munt, waarover later, in 1506, zijne erven zijn aangesproken.”—

Ten jare 1442 komt Texel voor, onder de benaming van het gemeene land van Texel, doorgaans het land van Texel geheeten.—Omstreeks dezen tijd werd Keizer Maximiliaan Opperschout11 vanTexel, en werd er om de 14 dagen Poortregt, d. i. Regtdag gehouden. Deze verandering is echter spoedig daarna vervangen door eene andere, waarbij [48]bepaald werd, dat er drie maal per week poortregt zoude gehouden worden.—

Jan van Naaldwijk, kennis verkregen hebbende, van de onlusten en opschuddingen, welke omstreeks den jare 1491 in het noordelijke gedeelte van Holland plaats hadden, vond het geraden, zich derwaarts te begeven, ten einde er, zoo het mogelijk ware, eenig voordeel, tot ondersteuning en bemoediging zijner toen verzwakte partij, uit te trekken.—Hij vertrok dan ook werkelijk in Julij van dat jaar, met zijne vloot uit Sluis, landde naar eenen voorspoedigen togt op Texel, hetwelk hij, benevens het eiland Wieringen, bemagtigde.—Hij trachtte al aanstonds deze eilanders te doen begrijpen, dat, in stede van herwaarts te zijn gekomen, om hen leed of schade te berokkenen, hij hier kwam, om hen voordeel en rust te bezorgen, om hen van de zware schattingen te bevrijden, waaronder zij gebukt gingen, en eindelijk, om de rust in het land te herstellen en te verzekeren.—

Hierdoor verkreeg hij dan ook weldra eenen grooten aanhang. Hij hield zich, gedurende het grootste gedeelte van den zomer, op en in de nabijheid dezer eilanden op, en maakte met zijne vloot de Zuiderzee en noordelijke zeegaten, onveilig.—Terwijl eenige zijner partijgangers zich, doch te vergeefs, van de stad Hoorn poogden meester te maken, vond Jan van Naaldwijk gelegenheid, om de hoofden van het zoogenaamden Kaas– en Brood-spel, de behulpzame hand te bieden.—

De bewoners van Texel mengden zich toen ter tijd, nevens die van Kennemerland, in de onlusten, die door het Kaas en Broodvolk gesticht werden, waarover zij naderhand door den Hertog vanSaxen zeer gevoelig gestraft werden.—

25 Personen van Texel moesten in het zwart, ongegord, blootshoofds en barrevoets, knielende om vergiffenis voor [49]hunne rebellie te komen smeeken. Al de handvesten des eilands moesten gesteld worden in handen van den Hertog, terwijl deze de straffen aan zich hield, waarmede de tot den vijand overgeloopen eilanders moesten gekastijd worden. Zij moesten zijn huis of kasteel sterk maken (in weerbaren toestand brengen) naar inhoud der brieven, hun door den Raad van Holland toegezonden, terwijl zij daarenboven nog 1000 Andriesguldens, gelijkstaande met ƒ 5000, boete betalen en gedurende twee maanden, aan 25 door hen uit te rusten manschappen, soldij en leeftogt moesten verstrekken, welke manschappen onder bevel van den Schout dienen moesten, om de rust op het eiland te bewaren.—

Naar alle waarschijnlijkheid zullen hun de toen verlorene regten en privilegiën òf te gelijk met de andere Kennemers en Kennemervolgers, òf in Maart 1494, zijn teruggegeven. Althans het regt van wind-, molen- en lammertienden12, dat zij tegen eene uitkeering van 40 Nobelen, van 8 schellingen groete, Vlaamsche munt, ’s jaars in erfpacht bezaten, en welke aan Jan van Borrij, Baljuw of Casteleijn van het slot te Medemblik, waren overgegeven, werden hun in laatstgenoemd jaar weder opgedragen.13

Omstreeks het begin der 16e eeuw, schijnen de zeeweringen op Texel zich in geenen gunstigen toestand bevonden te hebben, althans vinden wij, dat die van Texel, in 1509, [50]aan hunnen landsheer een beklag inbragten, „over de groote gevaren der zee, waartegen eertijds voorzien was geweest door Vrouwe Maria van Bourgondië, die ook hunne oude privilegiën bevestigd had, bij een nieuw privilegie gegeven te Loven, den 28sten Mei 1477; behelzende onder meer de vier Raadsmannen des maandags te kiezen na Palmzondag: 26 mannen ieder rijk 100 nobelen ofte meer: hieruit kiest de Graaf, of de Schout in ’s Graven naam, noemt en beëedigt op Goeden Vrijdag 13 schepenen. De Raadsmannen beëedigd zijnde, kiezen vijf Heemraden, door den Schout te beëedigen: deze stellen keuren op de dijken, sluizen, wateringen en wegen.”—

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *