1856 – Het Eiland Texel en Zijne Bewoners, Francis Allan

In verband met het Corona virus adviseren wij u het laatste reisadvies van het Ministerie te lezen op Reisadvies Nederland Wereldwijd

Immers heeft die Heer het heel anders begreepen, als hij Westfresia bepaalt tusschen de rivier Kinhem en den Vliestroom, en het zelve verdeelt in deze vier Graafschappen, een van Stavero, een vanTexla, een van Kinhem en het vierde Graafschap daar getekent Wasalanda Comitatus. Ook kan men niet zeggen dat Wasalandt daar eigentlijk voor een vierde gedeelte, en in deze Handtvest voor het geheele Westfrieslandt genomen wordt; dewijl Texla en Kinhem daar neffens hetzelve gestelt worden; dat echter maar gedeeltens van West-Frieslandt zijn. Ook loopt dit rechtdraats aan tegens hetgeen op een ander plaats gestelt word, namentlijk; „Dat Texla (Texel) volgens deeze Handtvest van Keizer Otto den III, een zeer groot Landtschap is geweest, verdeelt zijnde in drie Graafschappen,Wasalandt, Kinhem en Texla, in een nauwer betekenis genomen.” Maar in den Giftbrief, of Handtvest, wordt niet gezegt dat Wasalandt een gedeelte is van Texla, alleenlijk worden deze drie Landen of Graafschappen, in een rang en [39]order, als aan den anderen paalende, neffens malkander gestelt, als gelegen tusschen den Ystroom, en den Yssel, zoo als die boven Texel in de Noordtzee gelopen heeft, en deeze Westelijke Friezen heeft afgescheiden van hen die Oostelijker woonden, en tot het Graafschap van Staveren (Comitatus Stavero) behoorden. Wat meer is, de Heer Alting verdeelt geheelFrieslandt, toen deeze benaming zich het allerverst uitgestrekt heeft, aldus: dat het Westelijke genoemt is al het geen aan deezen kant van het Vlie was, en daarom in de oude Friesche wetten Cisfligenoemt wordt. En daar hij de zeven Friesche Zee-landen optelt, besluit hij het eerste tusschen de rivier Kinnem, of het zeegat bij Petten, en het gat van ’t Vlie, „welk Zeelandt naar zijne gelegentheit,zegt hij, en omdat het een gedeelte van het oude West-Frieslandt is, hedendaags den naam van ’t geheel behoudt.” Voorts zegt hij, „dat de naam Frisia Occidentalis, dat is, West-Frieslandt, die zich weleer uitstrekte van het Vlie tot aan de Schelde, naderhandt eigen is geworden aan dat gedeelte, het welk besloten legt tusschen de rivieren Kinnem, den Vliestroom, het Vliemeer, en de Noordtzee, en dat het dien naam behouden heeft, zelfs nadat het door Grave Jan den I aan Hollandt gehecht, en naderhandt door de groote watervloedt van het Graafschap Stavero, en een gedeelte van Texel is afgescheurt.”—Wel is waar, dat het geen in deezen Giftbrief van Keizer Otto aan Grave Diderik geschonken wordt, al het Landtschap Sunnemere, en wat er leit tusschen de Rivieren, dat is, Meeren,Medemelacha en Chimelafara, behoort tot het westelijke Frieslandt; echter volgt daar geenszins uit, dat Wasalandt zoo veel zou zeggen, als WestFriesLandt; te meer, dewijl in de geheele Handtvest de naam van Friezen, of Frieslandt, niet eens vermeld wordt. De Heer Alting toont wel aan dat Waterlandt (Waterlandia) in latere [40]tijden onderscheiden is geworden van West-Frisia, maar dat bewijs geldt niet ten opzigte van den tijdt wanneer het Handtvest gegeven is: en noch minder volgt daaruit, dat dit eigentlijk gezegde West-Frieslandt, door dit Wasalanda zou verstaan worden.—Om echter de benaminge van Wasalandt stant te doen houden, en te doen gelden boven het wanschikkelijke Masalandt, zegge ik, dat dit woordt zoo veel als Waterlandt, en dat wasa, waze, waes, beteekent water,slijk, modder.

„Nu laat ik het aan eens ieders oordeel en bevattinge, te bepaalen, waar dit Wasalandt moet worden gestelt, vereenigt zijnde en grenzende aan Kinhem en Texla. Wat mij belangt, dewijl ik gisse datSunnemere, zoo als de Heer Alting het beschrijft, zich uitstrekte van den Rhijn tot aan den Ystroom; zou ik denken, dat door dit Wasalandt verstaan moet worden het geheele hedendaagsche Waterlandt, en wat er meer is, zoo verre de Purmer, de Beemster en de Schermer zich hebben uitgestrekt, en misschien tot aan de Rivier of liever het Meer Medemelacha toe. Invoege dat deze drie Graafschappen, in den Giftbrief vermeldt, te zaamen uitgemaakt hebben het grootste gedeelte van het hedendaagsche West-Frieslandt, of al wat er besloten is tusschen het Y, de Zaan, de Schermer en de rivier Kinnemvan den eenen kant, en den Yssel, boven Texel in de Noordtzee stortende, van den anderen kant.” Ook moet noch de oudtheit van de Handtvest, noch de geloofwaardigheit van Melis Stoke, deeze verbeeteringe, waardoor men Wasalandt voor Masalandt stelt, bij niemand verdacht of minder aanneemelijk maaken; „—aangezien ook in vele andere oude Handtvesten en Gedenkstukken, sommige namen verkeerdelijk zijn opgegeven iets, dat alleen aan de onkunde der Afschrijvers moet geweten worden.”—De Heer Van der Does, heeft de ongerijmtheit van het woordt Masalandt zelf al gemerkt[41]schrijvende aldus: „In den voorgemelden Giftbrief van Keizer Otto is alles klaar en duidelijk, uitgenomen eenige ouderwetsche en versleete benamingen van plaatzen,” enz.

Texel’s oppervlakte, welke daarna meer en meer, door tal van watervloeden, werd verkleind, bedroeg naauwelijks de helft van den tegenwoordigen vlakken inhoud, en bestond behalve uit duinen, schorren, poelen, kreken of slufters, en onbeduidende droogten: uit 28 te zamen vereenigde polderlanden, waarin de Burg, de Hoorn, de Westen, de Koog, het Oude Schild, de Waal en Oostereind gevonden werden.—

Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam buiten twijfel, ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk, hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de voornaamste plaats, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen, en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg, zoude geweest zijn. De tegenwoordige Hervormde kerk aldaar, staat op een heuvel, vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten, die vroeger veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel, dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde.

Ook zijn in het begin der vorige eeuw, aldaar eenige Romeinsche penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding heb gezien; terwijl eene vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel van de Romeinen beschouwd moet worden, aangezien de daarin gevondene voorwerpen, de duidelijkste sporen, van Romeinsche herkomst met zich voeren.—Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden gevonden,[42]bestaande in een aantal metalen huisgeraden, waarbij een ketel, in welks binnenruimte een merk en, met kleine letters de naam Mutufiof, als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naamAdrianus F.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *