Waddengebied

Plaatsen > Waddengebied

Het gebied waar de Wadden deel van uitmaken, loopt van Den Helder tot aan Esbjerg in Denemarken. De bewoners van het gebied hebben eeuwenlang een strijd tegen het water gevoerd, en daardoor is het gebied veranderd van een natuurlandschap in een cultuurlandschap, met terpen, dijken en boerderijen.

De wadden zijn de delen in de Waddenzee die bij laagwater droogvallen. In het deltagebied noemt men dit landschap slikken. In deze getijdengebieden bevindt zich een wijdvertakt stelsel van geulen en prielen, met een unieke flora en fauna.

Bij de zeegaten zijn de geulen zeer diep als gevolg van de inslijping door snelstromend water. Verderop wordt de stroomsnelheid lager: de geulen worden minder diep. Deze kleinere geulen vertakken zich tot prielen. Deze vallen droog bij laagwater. Ook de zandplaten die tussen de prielen liggen vallen dan droog. De zandplaten en de prielen samen vormen het eigenlijke wad.

Het wantij is een ’ontmoetingsplaats’ van twee vloedstromen, die aan weerszijden om een waddeneiland heen lopen. Doordat het water op die ’ontmoetingsplek’ bij het stijgen en dalen bijna niet stroomt, kunnen meegevoerde zanddeeltjes gemakkelijk bezinken. Het wantij vormt daardoor een soort drempel; aan weerzijden ervan lopen kleine geulen, de eerder genoemde prielen. Wadlopers maken gebruik van de wantijverhogingen. Het zal duidelijk zijn dat het wantij een gevaarlijke barrière kan vormen voor de scheepvaart.

Tussen Holwerd en Ameland is in 1872 een dam gelegd over de door het wantij veroorzaakte verhoging. Stormen hebben die verbinding na tien jaar al weer vernield.

De Waddenzee bruist van het leven. Twee keer per dag voert de vloedstroom slib- en planktonrijk water uit de Noordzee aan, waarvan een groot deel op de zandplaten bezinkt. Daarnaast wordt het ondiepe water van de Waddenzee in de zomer snel opgewarmd. Algen en wieren krijgen daardoor de kans om snel te groeien. Zij vormen de basis van de grote voedselrijkdom waaraan de bewoners van de Waddenzee, talloos veel vissen, vogels en zeehonden, zich tegoeddoen.  De zeehonden in de Waddenzee zijn inmiddels helemaal hersteld van de virusepidemie, die in 2002 ongeveer de helft van het aantal dieren wegvaagde. In 2008 zwommen in het Nederlandse deel van de Waddenzee 5972 zeehonden en 976 pups.

De bodem van het wad is dichtbevolkt met allerlei soorten bodemdieren. De meeste leven van plantaardig of dierlijk plankton, dat ze uit het zeewater filteren, of van eencellige algjes en diertjes die op de wadbodem leven. Dat kleine leven is in grote hoeveelheden aanwezig, omdat het profiteert van een voortdurende toevoer van voedingsstoffen via de rivieren en uit de Noordzee. Met iedere vloedstroom komen er nieuwe zwevende slib- en voedseldeeltjes mee die voor een groot deel op de wadplaten bezinken.

Tijdens boringen naar aardgas in de westelijke Waddenzee ontdekten geologen een vreemde onregelmatigheid in de gesteentelagen. Bij nadere analyse bleek het hier om een echte, zij het niet meer actieve, vulkaan te gaan. De top van de vulkaan ligt vlak onder het gasveld op ca. twee kilometer diepte. Men heeft de kraterpijp tot iets meer dan drie kilometer uitgeboord. Zelfs na 160 miljoen jaar is er nog iets waarneembaar van vulkanische activiteit. Normaal is het op een diepte van twee kilometer zo’n 100° Celsius; in de nabijheid van de vulkaan is het zo’n 30 graden warmer!  Na de laatste uitbarsting stortte de krater in en viel de vulkaan ten prooi aan erosie. Tijdens het Onder-Krijt, 140 miljoen jaar geleden, na de onstuimige periode van de vulkaan, werden nieuwe afzettingen gevormd in een moerasachtig gebied. Daarna rukte de zee op en werd een fijnkorrelige zandsteen afgezet. Daarbovenop kwam onder omstandigheden die vergelijkbaar waren met het huidige waddengebied weer een dikke laag zeeklei te liggen.

De Waddenzee is een uniek gebied in Nederland. Je kunt geruisloos voortbewegen op een klein zeiljacht zonder moe te worden, met eindeloze uitzichten, rust, gezelligheid en ontspanning.