Norg

Plaatsen > Norg

Het is mogelijk dat de kerk van Norg op grond staat waar omstreeks het jaar 1000 op de heide buiten het dorp een houten kerkje werd gebouwd. Sporen van paalkuilen en aardewerkvondsten getuigen daarvan. Later is op die plaats een nieuw kerkje gebouwd. De kerk van Norg werd in 1139 voor het eerst in de annalen genoemd, toen de Utrechtse bisschop Andreas van Cuyck enkele inkomsten uit zeven Drentse kerken, die de kerk van Steenwijk toekwamen, aan de kerk van Oldenzaal overdroeg.
Binnen de elfde- en twaalfde- eeuwse kerkjes werd niet begraven, maar buiten aan de oostzijde op de plaats waar later het fundament van het hoofdaltaar werd gebouwd, is een aantal kindergraven aangetroffen.

De kerk was gewijd aan St. Margaretha, de martelares uit Antiochië, levend rond 300 na Christus en beschermster van de landbouw.
De kerk werd in zijn geheel gebouwd in de 13de eeuw en is, afgezien van wijzigingen in de schipmuren, vrijwel onveranderd bewaard, hetgeen van weinig andere Romaanse kerken in Drenthe gezegd kan worden. De Romaanse zadeldaktoren heeft als belangrijk decoratief element op halve hoogte grote witgepleisterde rondboognissen met daarin gekoppelde rondbogige galmgaten met natuurstenen deelzuiltje, waarvan dat aan de zuidzijde nog origineel is. De steen boven de westingang toont het wapen Ripperda. De klokken zijn in de oorlog door de Duitsers meegenomen.
Tijdens de restauratie (1968-’71) zijn in de schipmuren de Romaanse ramen hersteld, die verdwenen toen in 1837 neogotische ramen ingebroken werden. Onder de gereconstrueerde Romaanse ramen zijn kleine Romaanse onderraampjes gevonden en weer geopend. Dit zijn geen hagioskopen, want die vindt men alleen in of bij het koor, terwijl deze raampjes in noord-, zuid- en westzijde van de kerk zitten. De meest waarschijnlijke verklaring van deze zelden voorkomende raampjes is dat men oorspronkelijk het plan had de kerk van een vrij laag aanvangende overwelving te voorzien, die is ingestort of nooit is uitgevoerd. Hierop wijzen aan de binnenzijde ook de versnijding in de muur juist boven de raampjes en de boog in de oostmuur (vergelijk Havelte). De later (1837?) aangebrachte steunberen bij het schip zijn bij de restauratie gehandhaafd.
Het interessante koor bleef uitstekend bewaard. Het behield niet alleen de oude ramen, maar ook de 13de eeuwse overwelving in de stijl van de romano-gotiek. De halfronde koorvorm, de voor deze stijl eenvoudige muurbehandeling en de Romaanse vormen van schip en toren wijzen op het midden van de 13de eeuw als bouwtijd. Bij opgravingen is gebleken dat het schip geen tufstenen voorganger beeft gehad, doch dat hier wel twee houten kerken hebben gestaan. Aan de noordzijde van het koor is de dakmoet van de sacristie of grafkamer te zien, die in 1628 nog aanwezig was.

De noorddeur was voor de vrouwen en de zuiddeur voor de mannen. Aan de zuidzijde van het koor was de priester-ingang. Het is nog niet zo lang geleden dat mannen en vrouwen gescheiden in banken moesten gaan zitten. Ook de notabelen moesten zich hieraan onderwerpen.
De familiebank van de Tonckens in de kerk van Norg was verdeeld in een afdeling met vier “manszitplaatsen’ en een afdeling met vier “vrouwszitplaatsen”.

Bij het betreden van de kerk verdient vooral de fraaie koorpartij onze aandacht. De koortravee beeft een koepelgewelf met vier ronde ribben en vier geschilderde schijnribben. De laatsten komen samen in een geschilderd rozet rond de sluitring. De ribben in de halfronde sluiting rusten op in de vorm van koppen gebakken kraagstenen. Gelukkig werden er voldoende sporen gevonden om de decoratieve beschildering te herstellen, die niet alleen bouwkundige onderdelen als ribben en bogen een duidelijk accent geeft, maar ook in de totaal aanblik een belangrijke rol speelt. Het zijn a.h.w. de slingers die het koor een feestelijk karakter geven. De schilderresten op de muur waren te vaag en te slecht om te herstellen. Wel is de schildering in de sluitring gerestaureerd: een duif (symbool van de Heilige Geest) met als randschrift: “VENI SANCTE SPIRITUS” (Kom Heilige Geest) DIQ ( ) DONI SVUO”. De betekenis van het laatste deel is onduidelijk.
De kerk heeft in de muren verschillende (9) nissen, die bij de katholieke eredienst een functie hadden (vergelijk Sleen). In de nissen ter weerszijden van de triomfboog heeft waarschijnlijk een bij een zijaltaar behorend beeld gestaan. De beide grote nissen aan de zuidkant van het koor dienden misschien als zitplaats voor de priester en zijn helper. De nis in de zuidoostzijde is een piscina, die in de noordoostzijde mogelijk de sacramentsnis. In de nissen zijn enkele vondsten opgesteld, waaronder een grafpaaltje uit 1802 voor Wemeltje Willems. De stenen met het jaartal 1766 zijn uit de kerkhofmuur afkomstig. Bij de restauratie behielden preekstoel en doophek hun plaats. Het koor kwam vrij door de herenbank aldaar te verplaatsen naar het schip. De inrichting vormt thans zowel uit liturgisch als uit monumentaal oogpunt een fraai geheel. Het doophek vormt een goede afsluiting van het schipmeubilair bij het open koor.

De sluitsteen in de kerk van Norg wordt als een merkwaardig historisch object beschouwd. Bij het binnenkomen van de kerk is onderin de toren een zandstenen wijwatervont te zien uit de twaalfde eeuw, dat na veel omzwervingen, evenals het Bentheimer zandstenen doopvont in het koor, weer terug is in de Norger kerk. Het koor is met een trede onder de triomfboog verhoogd, nog een trede hoger stond vroeger het hoofdaltaar, gekroond als het ware door ribben van de koorsluiting. Wij kijken omhoog en zien de prachtig uitgevoerde kraagsteentjes. De plaats van het vroegere altaar is aangegeven door vier koperen plaatjes. In het koor zijn ook de nissen voor de priesterzetels, voor het sacramentshuisje (tabernakel), voor het gewijde vaatwerk, een grafpaaltje, stenen afkomstig uit de kerkhofmuur en een traceerloodje. Traceerloodjes werden vroeger in de bouw gebruikt. De statenbijbel dateert uit 1838.

De avondmaalstafel, zetels, knielbank en smeedijzeren kandelaars zijn nieuwe ontwerpen. De koperen kronen zijn geschonken door de Provincie Drenthe en de Hervormde Vrouwenvereniging van Norg bij de overdracht van het gerestaureerde kerkgebouw.
In 1627 kreeg Norg een zilveren avondmaalsbeker, die nu in het bezit is van het Drents Museum in Assen. Nu heeft Norg een grote tinnen schaal, vier kleinere schalen, drie bekers, twee tinnen schenkkannen en circa dertig kleine bekertjes.
Het koor is evenals het schip wit geschilderd. Bij de inrichting van de kerk werd het kruis in het koor aangebracht, een teken van de voorgaande bestemming van de kerk. De preekstoel met de zeshoekige kuip dateert uit 1678 en werd geleverd door Dirk Jans Bijmolt te Groningen. De panelen zijn rijk versierd met zinnebeeldige voorstellingen. Onderaan een lauwerkrans verder een wingerd en druiventrossen (geloof), eikenloof, koren en bloemen (hoop), druiven, wingerd en roos (liefde) en een bijbel met een tekst uit Jacobus vers 22: “zyt daders des Woords Ende Niet Alleen Hoorders’. Boven een wierookscheepje met vlammen en wierook – offer en gebed. Een haan: aankondiging van het licht en ons tekortschieten.
Binnen het doophek ligt een aantal grafstenen. Het doophek om de preekstoel en de lezenaar van de voorganger stammen uit 1800/1801 en zijn ossenbloedrood geverfd. De Schultebank voor het orgel is uit de tijd van de kansel. De Tonckensbank tegenover de preekstoel is gedeeltelijk overkapt. Later werd in de bovenrand het wapen van het geslacht Lunsingh toegevoegd: in de voorrand: “1724 – I mey G.B.”. De rode kleur op de banken is overeenkomstig kleurresten die men op het doophek vond. De koperen kronen zijn nieuw. De banken voor de kerkgangers zijn van 1837, maar aangepast aan de lengte van de mens uit de 20e eeuw.
Het offerblok van 1661 stond vroeger met een de paal in de grond. Ook wel armenpaal genoemd.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *