Kerkrade

Plaatsen > Kerkrade

Kerkrade is een stad en gemeente in het zuidoosten van de provincie Limburg. De gemeente grenst in het oosten aan Duitsland. De grensovergang Kerkrade-Herzogenrath ligt binnen haar grenzen. In de gemeente Kerkrade wonnen 48.721
inwoners. De gemeente Kerkrade omvat de woonkernen Eygelshoven en Kerkrade.

Kerkrade was al bewoond in de prehistorie. Ook de Romeinen hebben er geleefd. Vanaf 1900 komt de industrie in Kerkrade op gang, vooral de mijnbouw. De Domaniale Mijn in Kerkrade-O (W van de Nieuwstraat/grens met Duitsland, tegenover Maubach/Strass) is dan al (als eerste mijn) in productie (1723), als opvolger van de mijn van Rolduc. Vanaf 1965 worden de mijnen tengevolge van de opkomst van olie en aardgas afgebouwd. In 1969 wordt de Domaniale Mijn gesloten. De schacht Nulland (Nulled) herinnert nog aan dit mijnverleden.

Kerkrade heeft een gewelddadige, roerige geschiedenis met ingrijpende rampspoed zoals hongersnood (1146), pest (1554), bezetting (1672) en aardbeving (1692).

Kloostercomplex  Rolduc
Rolduc is het grootste bewaard gebleven kloostercomplex van Nederland. Oorspronkelijk was Rode de naam voor zowel het kasteel, de abdij als het dorp met de kerk (Kerkrade). De Duitse vorm, Herzogenrath, wordt nu gebruikt voor de Duitse plaats bij het kasteel. Kloosterrade, vervangen door Rolduc, de Franse naam voor de vroegere abdij, is nu de naam voor het seminarie van het bisdom Roermond. Rolduc is in 1104 gesticht door Ailbertus van Anthoing. In 1815 kwam de abdij Kloosterrade tengevolge van een grenscorrectie onder Nederlands bestuur, gemeente Kerkrade. De abdij heeft vooral in de Middeleeuwen een grote rol gespeeld als godsdienstig en cultureel centrum. In de 18e eeuw nam de abdij de kolenwinning en -exploitatie (sedert 1113 begonnen) in eigen hand; het was de enige plaats in Nederland waar kolen werden gedolven in dagbouw. De Domaniale Mijn nam deze over toen de Fransen de kloosters in onze streken ophieven. De priesteropleiding van het bisdom Roermond is er sinds jaar en dag gevestigd. Tegenwoordig is er ook een congrescentrum gehuisvest.
Op één van de flanken van het Wormdal, nabij de latere grens met Duitsland, kozen Ailbert uit Tongeren en een kleine schare volgelingen 900 jaar geleden een fraaie plek. Hier in Rolduc bouwden ze een klooster voor hun nieuwe, volgens de Augustijner regels levende en werkende gemeenschap. Nu is alleen de aan Maria en Gabriël gewijde kloosterkerk nog middeleeuws. Deze wordt vanwege architectonische en decoratieve bijzonderheden gerekend tot de belangrijkste romaanse kerken die in Nederland behouden bleven. Hij stamt voor het overgrote deel nog uit de 12e en 13e eeuw, afgezien van kleinere wijzigingen die van tijd tot tijd aan elke kerk plaatsvonden vanwege onderhoud of de wisselende mode. Het koor is als uitzondering in zijn geheel van jongere makelij. Had men hier in de late Middeleeuwen al een nieuw koor gebouwd in gotische trant, het was Pierre Cuypers die de oostelijke zijde van het gebouw in de periode 1891-1902 (ofschoon als altijd consciëntieus historiserend) ontdeed van zijn middeleeuwse wezen en herbouwde. Aan dezelfde zijde rest echter wel de romaanse crypte, onder dat nog maar net antiek te noemen koor.
Op de plaats van de crypte zou het allemaal begonnen zijn in 1104. Ailbert begon hier met de bouw van een kleine houten kerk, die in 1106 alweer vervangen werd door een stenen. Binnen een jaar ging ook dit gebouw tegen de vlakte, doordat een invloedrijke man, Embrico, zich met zijn gezin bij de gemeenschap aansloot en deze ertoe wist te brengen een prestigieuzer bouwwerk te creëren. Dat dit tegen de haren van stichter Ailbert instreek weten we uit een zeer belangrijk document, de Annales Rodenses. De leider vertrok uit Rolduc in 1111. In de volgende decennia verrees er een monumentaal kerkgebouw.
Zoals het er uiteindelijk uitziet, voorzagen de bouwers de kerk van een schip met zijbeuken, een transept aan de oostzijde van
het schip én twee zogenaamde pseudotransepten westelijk hiervan. Een pseudotransept is een dwarsbeuk die de zijbeuken haaks doorsnijdt, maar zich niet – zoals een echt transept wél doet – buiten de hoofdomtrekken van het schip begeeft. Aan de oostzijde bouwde men boven de crypte met dezelfde grondvorm een koor met klaverbladvormige plattegrond, dus drie halve cirkels die elk tegen een zijde van een vierkant zijn gelegd. Aan de westzijde staat een forse blokachtige westbouw, die zich verjongt en in het midden tot een stoere toren vormt.
De Annalen, die werden geschreven in het laatste kwart van de 12e eeuw en de ontwikkelingen tot 1157 volgen, vertellen onder meer hoe de kerk tot stand kwam. Verschillende bouwcampagnes worden beschreven en ook van (al dan niet tussentijdse) wijdingen worden we op de hoogte gesteld. Dit is voor de architectuurvorsers een zeldzaamheid en natuurlijk zeer welkom. Het is helaas echter niet zo dat op grond hiervan de hele bouwgeschiedenis tot in de puntjes bekend is. Na een periode waarin de wetenschappers hun uiterste best deden de materiële gegevens ter plaatse in overeenstemming te brengen met wat werd geschreven, is nu een nieuwe fase aangebroken die als kern heeft de waarheid van wat de monniken schreven te wantrouwen: het heeft er de schijn van dat men de zaken iets verdraaid heeft en wel ten faveure van de opgestapte eerste leider, wiens elders begraven botten men graag terug zag komen en wiens prestaties voor juist dit klooster men daarom enigszins opklopte.
De bouwgeschiedenis is dus minder eenduidig en zeker complexer dan hier kan worden beschreven. We kunnen de hoofdlijnen geven: de derde versie van de crypte, die op voorspraak van Embrico werd gebouwd, had nog niet de klaverbladvorm. Aangenomen wordt dat de kerk als geheel meer een standaard basilicale structuur volgde, bestaande uit een schip met een arcade volgens het gebonden stelsel, zijbeuken en een transept waarachter aan de oostzijde een koor met halfronde apsis lag. Onder dit koor was aanvankelijk een hallencrypte op zuilen, maar zonder zijnissen. In de loop van de 12e eeuw kwam een verlenging van het schip tot stand, maakte men de pseudotransepten (waarbij de oostelijke van de twee een doorbraak van de bestaande schipstructuur betekende) en werd de crypte in westelijke richting onder het transept verlengd. Pas aan het begin van de 13e eeuw voltooide men het westblok met toren en werd de plattegrond van de oostpartij gewijzigd in het klaverblad.
Zoals de vorm van de oostelijke delen en de pseudotransepten opmerkelijk zijn en vragen oproepen over hun oorzaken, zo is in de kloosterkerk van Rolduc ook een hoeveelheid gebeeldhouwde decoraties behouden gebleven die belangwekkend genoeg is om regelmatig in vakliteratuur binnen een internationale context te worden beschouwd. In de crypte bevinden zich enkele onderscheidbare typen fijn gebeeldhouwde kapitelen, basementen en zuilschachten die door hun constellatie evenveel vragen oproepen als beantwoorden: er zijn enkele perioden door elkaar gegooid. Maar ook boven de grond vinden we sculptuur van hoge kwaliteit op basementen en kapitelen met onder andere fabeldieren en bladranken. De stijl en de afgebeelde motieven wijzen tot ver over de huidige grenzen als we vragen naar hun bakermat.
Aan het einde van de grote restauratie onder leiding van Pierre Cuypers (durend van 1853 tot 1900!) werden eindelijk de stoffelijke resten van stichter Ailbert naar Rolduc gebracht. Zijn sarcofaag is in de crypte. Kunstenaar en kanunnik Goebbels schiep wandschilderingen en mozaïeken in het interieur. Hij haalde daarbij een hoog niveau en oversteeg, hoewel gebruik makend van vroegchristelijke en romaanse thematiek in een modern aandoend jasje, mede door zijn geraffineerde vertelling het droge historisme dat veel van de kerkelijke decoratieprogramma’s van omstreeks 1900 kenmerkt. Jos Cuypers nam het westelijk deel van het gebouw begin jaren dertig onderhanden. Het is aan ons om te bepalen welke jongere delen mogen opgaan in de geschiedenis van het gebouw en welke weer zullen worden weggepoetst.
De kerk vormt de geestelijke en bouwkundige kern van het abdijcomplex, maar er is meer. Het omvat verder de ambtswoning (1676), de watertoren (1671, volgens inscriptie), de zogeheten Carré – het pandhof (waarvan in ieder geval een versie uit 1676 bestaan heeft die in 1895 door een neoromaanse gang is vervangen), de Morettivleugel uit 1751-1754 (met prachtige interieurs, waaronder de bibliotheek met rococo stucdecoratie uit de bouwtijd) en het in 1849 gebouwde ‘Instituut’ naar ontwerp van Franz Klausener. Deze gebouwen hebben afzonderlijk een zekere waarde – sommige zijn zeer fraaie voorbeelden van hun type, betekenisvol als exponent van een stijl of representant van hun tijd – maar hebben als belangrijkste cultuurhistorische rol, dat zij deel uitmaken van een gedurende vele eeuwen naar de eisen van tijd, esthetiek en functie gegroeid complex. Sinds 1831 is het seminarie hier gevestigd.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *