Het Bildt

Plaatsen > Het Bildt

De gemeente Het Bildt ligt in de provincie Friesland.

De gemeente heeft 10.971 inwoners op een oppervlakte van 116,48 km² land en een wateroppervlakte van 25,88 km².

De gemeente het Bildt wordt gevormd door een na 1505 ingedijkt gedeelte van de oude Middelzee, de zeearm, die eertijds Friesland verdeelde in een Oostergo en Westergo. Dit ingedijkte gebied ligt ten noorden van de oude zeewering, die zich van Beetgumermolen eerst noordoost, dan oostwaarts richt om zich dan in de buurt van Britsum met de voormalige oostelijke Middelzeedijk te verenigen. De aanslibbing ten noorden van deze zeewering, die al omtrent 1400 een aanzienlijke oppervlakte besloeg, droeg toen al de naam van “Het Bildt”, het “aangeslibde”.

Al vroeg ontdekte men de waarde van deze landen. In 1398 had de Hollandse graaf Albrecht van Beieren een inval in Friesland gedaan en hierbij enige vaste voet in de Zuidwesthoek weten te verkrijgen. Eén van zijn medewerkers, Arend van Egmond, Heer van IJsselstein, werd door de nieuwe landheer begiftigd met het eiland Ameland, “benevens een uijtland, gheheten Bil”, als vrije heerlijkheid.

In het jaar 1498 werd aan hertog Albrecht van Saksen het beschermheerschap over Friesland verleend, zulks op verzoek van enkele Friese edelen aan de Duitse keizer, Maximiliaan I. Als beloning voor bewezen diensten schonk de keizer in een aparte giftbrief op 22 juli 1498 de volle eigendom van “dat nieuwe door opslijking aangewassen weide of bouwland ´t Groote Bild en ´t kleine Bild” aan de Saksische hertog die het dadelijk ging bezichtigen en liet meten. De Hertog nam in de daaropvolgende jaren de inpoldering van het Bildt stevig ter hand. Hij riep daarbij de hulp in van edelen en burgers uit de omgeving van Dordrecht.

Het ging de hertog echter niet voorspoedig in Friesland. Zijn fiscale maatregelen wekten veel verzet en Hendrik, Albrechts zoon, werd in 1500 door de balsturige Friezen te Franeker belegerd. Albrecht wist de opstand spoedig te onderdrukken, maar hij overleed op 12 september 1500 op de terugweg naar huis. Zijn beide zoons, George en Hendrik, namen de Friese zaken over, doch weldra had Hendrik er zo genoeg van dat hij zich in 1504 voorgoed terugtrok en bij verdrag van 30 mei 1505 het bestuur over Friesland aan zijn broer overliet. Samen hadden ze nog wel enkele belangrijke schenkingen gedaan uit het nog onbedijkte Bildt. Het belangrijkste was wel:

Bij giftbrief van 26 maart 1501 werd aan de stad Franeker wegens haar dapper gedrag tijdens het beleg, behalve vrijdom van accijns voor in de stad gebrouwen bieren en één week- en twee jaarmarkten, 200 morgen land op het Bildt geschonken, welke landen – de Franeker landen onder St.-Jacobiparochie – heden ten dage nog in bezit van Franekeradeel zijn.
Na veel onderhandelingen werd in 1504 de bedijking van de kweldergronden ter hand genomen. Hiertoe liet de hertog op 22 februari 1505 een overeenkomst sluiten met 4 Hollandse edelen, nl. Thomas Beuckelaar en de gebroeders Jacob, Floris en Dirk van Wijngaarden. In de loop van 1505 was het werk gereed. Ook het Oud Monnikebildt werd bedijkt. De hertog had nu geregelde inkomsten van het Bildt, aangezien hij dadelijk na de inpoldering de grond had verhuurd aan pachters. De meeste van deze boeren zijn ongetwijfeld Hollanders geweest, hetgeen de oorsprong is van de Bildtse taal, die nog steeds op het Bildt gesproken wordt. Langs de weg, die al direct na de bedijking van oost en west door het gehele Bildt was aangelegd, ontstonden 3 nederzettingen, die de bewoners noemden naar de streek waar ze vandaan kwamen, nl. van west naar oost: Wijngaarden, Altoenae en Kijfhoek. Het Bildt werd kerkelijk als 13e dekanaat aan Westergo toegevoegd, terwijl het in 3 parochies werd verdeeld, die al gauw hun eigen kerkjes kregen, gewijd aan St. Jacobus, St. Anna en O.L. Vrouwe. In Friesland naderde het eind van de Saksische tijd. De hertog, eerst in strijd gewikkeld met de Groningers, had nu de invallen der Geldersen te keren en in 1514 restten hem slechts Leeuwarden, Franeker en Harlingen. Daarom verkocht hij Friesland “mit sambt der Beylde” voor 100.000 ggl. aan de nieuwe Heer der Zuid-Nederlanden, Karel V.

In 1515 werd na de overdracht van het gebied aan Karel V het bestuur over het Bildt geregeld. Het kreeg een eigen rentmeester, die tevens grietman en dijkgraaf was. Deze grietman moest als rentmeester elk jaar rekening en verantwoording afleggen van de ontvangen pachtsommen van de landgebruikers aan de rentmeester-generaal van Friesland. Voor de pachters werden pachtvoorwaarden vastgesteld (“voorwaarden van inhuring”), die na een bepaald aantal jaren afliepen en dan werden herzien. In het algemeen werden de pachters verplicht tot onderhoud van dijk en sluis, vaarten, wegen, kerken en hun pastoren en algemene armen. Deze voorwaarden zijn tot in het midden van de 19e eeuw praktisch gelijkluidend gebleven.

Zoals elders in Friesland ontstond ook op het Bildt rond 1570 verzet tegen het Spaanse bewind. Na de omwenteling werd het Bildt als dertigste grietenij opgenomen in de Staten van Friesland. Het Bildt was van Vorstendomein nu Statendomein geworden. De verhouding van de pachters tot de eigenaars der landen, nu de Staten bleef dezelfde; de inhuringen hadden op dezelfde manier plaats.

Het grondgebied werd door de voortdurende aanslibbing steeds groter. Het “Buitenbildt” of Nieuw Bildt werd in 1600 bedijkt en evenals het Oud Bildt verhuurd. In 1637 werd, door de voortdurende geldnood der Staten het Nieuw Bildt, evenals gedeelten van het Oud Bildt, aan de pachters verkocht. De nieuwe eigenaren hoefden alleen bij te dragen in het onderhoud van de dijk.

De aanslibbing voor de Nieuwe Bildtdijk, de Bildtpollen, werd in 1715 bedijkt en door de eigenaren van het Nieuw Bildt verkocht in 1735.
Omstreeks deze tijd begonnen de Staten ook te denken aan de verkoop van de rest van hun bezittingen op het Bildt. Een op advies van Stadhouder Willem V ingestelde commissie bracht rapport uit op de Landdag en na veel “consideratiën” werd tot de verkoop besloten op 12 maart 1751. In de koopakte werden de verplichtingen van de – nu eigenaar geworden – Bilkerts nog eens duidelijk omschreven. Alle Bildtplaatsen kregen nu het volle stemrecht en de verplichte bijdragen gingen nu over op de grondeigenaren.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *