Giethoorn

Plaatsen > Giethoorn

Giethoorn ligt in de kop van Overijssel. Giethoorn werd eerst opgenomen in de gemeente Brederwiede waartoe ook kerngemeenten als Blokzijl, Wanneperveen, Belt-Schutsloot en Vollenhove behoorden. Dorpen en stadjes met elk hun karakteristieke kern, hun eigen identiteit. In 2001 werd Brederwiede onderdeel van de Gemeente Steenwijk en vanaf 2003 is er sprake van een nog grotere Steenwijkerland.

Giethoorn (c) Martin Lamboo 2016

Giethoorn (c) Martin Lamboo 2016

Het dorp Giethoorn telt zo’’n 2500 inwoners en wordt ook wel het Hollandse Venetië genoemd en waarom dat is laat zich niet moeilijk raden. Waterwegen vormen hier de belangrijkste verbindingen, sommige huizen liggen op eilandjes en zijn uitsluitend te bereiken via een van de talloze, charmante bruggetjes of per boot. Niet zomaar een boot, in deze streek hoort dat een punter te zijn.
Het dorp is dan ook het best te bekijken vanaf het water. Maak een tochtje met een geruisloze electroboot, ook wel fluisterboot genoemd of stap in een van de boten die een verzorgde rondvaart organiseren. Verscholen tussen de bomen liggen daar de oude 18de- en 19de-eeuwse boerderijen en de typische vervenershuizen. Giethoorn dankt zijn vele water aan het veen. Daar waar de turfstekers hun werk hadden gedaan, bleef water achter en smalle legakkers. Al dat water maakt Giethoorn een topattractie voor binnen- en buitenlandse toeristen en sinds de grootschalige introductie van de fluisterboten zorgen die niet meer voor verstoring van de hier zo gekoesterde rust. Een wandeling door het dorp behoort uiteraard ook tot de mogelijkheden. De musea, galeries, een de originele punterwerf zijn een bezoek waard.

Geschiedenis van Giethoorn

Giethoorn (c) Martin Lamboo 2016

Giethoorn (c) Martin Lamboo 2016

Giethoorn is ruim 750 jaar geleden ontstaan door de vestiging van waarschijnlijk een groep flagellanten (zelfgeselaars) in het woeste gebied. Giethoorn groeide uit tot een dorpje waar de bewoners leefden van de turfwinning, gecombineerd met extensieve veehouderij, riet snijden en visserij. Door turfafgraving ontstond een landschap met stukjes water (de petgaten) en stukjes land (de legakkers). Omdat dit ongecontroleerd gebeurde in een tijd waarin regelmatig overstromingen e.d. plaats vonden, sloegen de legakkers (die te smal bleken) weg en ontstonden de meren rond Giethoorn.

Het Gieterse meer is het enige natuurlijke meer. Dit is in de ijstijd ontstaan. De overige: het Bovenwiede, Zuideindiger Wiede, Molengat, De Beulaker en de grote en stille Belter, zijn alle ontstaan door de turfwinning. De Beulaker dankt zijn naam aan het dorpje Beulaecke dat in de 18e eeuw in de golven verdween. Vanuit Giethoorn werd de turf over het water afgevoerd (veelal via blokzijl) om als brandstof te dienen. Later werden de waterwegen gebruikt voor het vervoer van vee, hooi, melk en andere agrarische zaken. De’’melkbok’’,waarmee de melkbussen werden opgehaald voor de melkfabriek,verdween pas in de 70’er jaren. Ook ander vervoer, zoals bijvoorbeeld van petroleum, de bakker, postbode en dergelijke, ging per boot langs het voetpad met de vele bruggetjes.

Tegenwoordig is dat niet meer zo. Wel heeft de Gieterse brandweer een moderne blusboot en wordt in een deel van het dorp de vuilnis per boot afgevoerd. Inmiddels is Giethoorn een topattractie voor binnen- en buitenlandse toeristen. Het gaat hierbij vooral om dagjesmensen, maar de tendens gaat meer en meer naar verblijfsrecreatie. Door de invoering van elektromotoren voor de vele verhuurboten heeft het dorp meer rust gekregen.

Maar Giethoorn heeft veel meer te bieden dan wandelen rondvaren en bootje huren in het oude dorp.

De verandering voor de Giethoorners

Giethoorn (c) Martin Lamboo 2016

Giethoorn (c) Martin Lamboo 2016

Giethoorn is, toen de vervening een aflopende zaak werd, overgestapt op het boerenbedrijf. Inmiddels is ook dat weer veranderd. Rond de 60’er jaren was er een aantal ontwikkelingen van grote invloed op de koers van het dorp: De mechanisatie in de landbouw bleek voor de Gieterse boeren moeilijk bij te houden.
Alles moest immers over het water. Zo was het moeilijk concurreren.

Door meer welvaart,mobiliteit en vrije tijd kwamen steeds meer toeristen naar Giethoorn. Waren het vroeger de echte ”kunstenaars” die Giethoorn ontdekten,na de oorlog kwam het grote publiek,mede onder invloed van Bert Haanstra’’s film “”fanfare”.”

Aandacht voor de natuur is belangrijk.
Door het groeiend besef van natuurbehoud was natuurmonumenten begonnen land te kopen in het gebied ”De Wieden”. Inmiddels is deze vereniging de grootste landeigenaar in de kop van Overijssel. De boeren hadden dus een alternatief: land verkopen aan natuurmonumenten en een camping beginnen, boten gaan verhuren,etc.

Toerisme in Giethoorn en omgeving.
Inmiddels is Giethoorn zoals gezegd een topattractie voor binnen- en buitenlandse toeristen.

Giethoorn heeft veel meer te bieden dan wandelen, rondvaren of een bootje huren in het oude dorp. Giethoorn is de uitvalsbasis naar de meren en natuurgebieden in de kop van Overijsel.
Er zijn goede mogelijkheden voor overnachting (hotel, pension, huisje, camping, jachthaven) en voor de inwendige mens (van snackbar topt sterrenrestaurant).

Watersporters kunnen zich uitleven op de surfplank, in de kano, op waterski’s etc. en dat alles in een mooie omgeving.

En wat dacht je van de winter: Giethoorn is een prima start voor een geweldige schaatstocht!

Museumboerderij ‘t Olde Maat Uus
In de museumtuin van ‘t Olde Maat Uus in Giethoorn staat als historisch pronkstuk een gerestaureerde tjasker. Een authentieke tjasker, vakkundig gerestaureerd door Bart Smit en Klaas Bakker. Smit (58, bekend aannemer in het dorp) en Bakker (64, één van de vaste vrijwilligers van ‘t Olde Maat Uus en verre nazaat van dé tjaskerbouwer van Giethoorn: de legendarische Roelof Willem Dijksma, timmerman van de Beulakerweg) restaureerden deze Nederlandse molen. De tjasker is van oudsher één van de kleinste Nederlandsee molens. Meer dan tienduizend exemplaren telde ons land er in een grijs verleden, tegenwoordig is de tjasker zeldzaam. De windmolen bewees z’n nut en noodzaak met het oppompen van water in de veengebieden van de Kop van Overijssel, Friesland en delen van Groningen. Een eenvudige poldermolen die verdroging voorkwam in kwetsbare natuurgebieden. Het type dat jaren geleden al een permanente plek in de museumtuin kreeg dateert van rond 1900 en wordt ook wel ‘tonmolen’ genoemd. Geschikt voor bemaling van maximaal vijf hectare land. Achterop de as waar de wieken doorheen steken zit een ton; een soort vijzel met houten betimmering erom. Binnenin bevind zich een ingenieus radwerk van precies 360 wiggen die naadloos in elkaar passen.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *