Gasselternijveen

Plaatsen > Gasselternijveen

Gasselternijveen ligt in de gemeente Aa en Hunze in de provincie Drenthe

Toen de Hunze vanaf het Zuidlaardermeer bevaarbaar werd voor het vervoeren van turf uit de Gasselter venen, ontstond de veenkolonie Gasselternijveen. De eerste bewoners die zich hier vestigden kwamen niet alleen van de Drentse zandgronden, uit Friesland en Groningen, maar ook uit Duitsland. Na de vervening kwam er een einde aan de turfvaart.

In 1839 werd een kanaal gegraven dat een verbinding tot stand bracht met de kanalen in het Gronings gebied. De pioniers van Gasselternijveen waren ondernemende lieden. Turfschepen werden vervangen door tjalken, die ook in Gasselternijveen werden gebouwd. Later werden de tjalken vervangen door coasters. Turfschippers werden kustvaarders. Ze voeren op de Oostzee, de Scandinavische landen, Engeland en Amerika. Gasselternijveen werd een echt redersdorp. De binnenlandse turfvaart was de grondlegger voor de maritieme scheepvaart. In 1913 was de voormalige veenkolonie na Rotterdam, Groningen en Amsterdam de vierde zeehaven van Nederland. Met het groter worden van de schepen en de opkomst van de moderne kustvaart kwam er een einde aan de Gasselternijveense scheepvaart.  De plaatselijke schipperij voer er wel bij: in 1873 hadden zestig schepen hier hun thuishaven, óók enkele coasters die tot 1939 het dorp nog konden bereiken. In het plaatselijk museum staat een model van de kustvaarder ‘Gasselte’, die in de jaren zeventig al niet meer in Gasselternijveen thuis kon komen om als museumschip te dienen. 

De eerste gemeenteleden behoorden kerkelijk tot de kerk van Gasselte. Op de eerste Hervormde Kerk van Gasselternijveen rustte geen zegen, want tijdens de bouw in 1697 werd de kerk door een hevig noodweer vernield.

In 1707 werd een nieuwe kerk gebouwd aan de Hoofdstraat 28. Kerk school en meesterhuis stonden tegen elkaar gebouwd. Deze kerk heeft het 150 jaar volgehouden. Het tegenwoordige pand aan de Hoofdstraat 28 bevat nog delen van dat meestershuis. De kerk aan de Hoofdstraat voldeed niet meer en men besloot tot de bouw van een nieuwe kerk op grond die men in 1739 al aangekocht had. In 1828 werd een pastorie gebouwd.
In 1843 klaagde Dr. J.E.Feisser (die nog datzelfde jaar zou worden afgezet en de stichter der Baptisten werd): “Naar waarheid kan gezegd worden, dat de Kerk in allen gevalle te klein is voor de zeer vergrootte bevolking van dit dorp”.

In 1856 doet het kerkbestuur de volgende oproep:

“Aan het Provinciaal Kollegie van Toezigt op de kerkelijke administratie bij de Hervormden in Drenthe.

Kerkvoogden der Hervormde Gemeente te GasselterNieuwveen, te rade geworden zijnde om de stichting van een nieuw kerkgebouw te beproeven, wonden zich tot UEdolAchtbare ten einde daartoe de noodige magtiging te erlangen.
Het voornemen, dat zij hebben opgevat, dient ter voorziening in eene behoefte, die dringend in hunne gemeente gevoeld wordt. Het gebouw,waarin de openbare eeredienst bij hen wordt waargenomen, is in menig opzigt gebrekkig en daarbij veel te klein om de kerkgangers behoorlijk te bevatten. Met moeite kunnen in hetzelve, inzondorheid bij de voormiddag-godsdienst des winters, drie vierde gedeelte van dezelve zitten, zoodat eene talrijke schare zich met eene staanplaats moet vergenoegen en niet weinigen, ook bij gebrek hieraan, dikwijls naar hunne woningen terugkeeren.
Voor vergroting achten wij ons tegenwoordig kerkgebouw niet geschikt. Ook zijn wij van oordeel, dat met het oog op de plaatselijke gesteldheid onze gemeente en derzelver toenemende ontwikkeling en aanbouw, eene andere plaats daartoe zou moeten bestemd worden. Gevoegelijk zal deze op een stuk land bezijden de Pastorie en daaraan behoorende kunnen gevonden worden.
Onze gemeente heeft geene noemenswaardige kerkelijke fondsen en is bezwaard met vrij gevoeligen kerkelijken omslag, maar evenwel is dezelve bereid om eene aanzienlijke som vrijwillig bijeen te brengen tot stichting van een nieuw kerkgebouw; ook de leerlingen op de catechisatieën willen van hunne belangstelling daarin door ruime giften doen blijken, terwijl wij hopen, dat tot vinding van het tekortkomende, uit het fonds voor noodlijdende kerken vanwege het Rijk, alsmede uit het fonds van de Provincie, ons een subsidie zal worden geschonken.
Redenen, waarom wij UEdelAchtbare goodkeuring en veelvermogende medewerking tot verwezenlijking van dit ons voornemen bescheiden maar dringend verzoeken.

Kerkvoogden voornoemd:

Gasselter Nieuwveen
den 11 February 1856”

Bij Koninklijk Besluit van 31 October 1856 no.95 werd aan de Nederduits Hervormde Gemeente te Gasselter Nieuwveen voor de bouw van een nieuwe kerk een subsidie Hfl.2400.–groot toegekend, onder gelijktijdige vermelding dat de Algemene Synode Hfl. 1500.– zou bijdragen. Al het volgende jaar vond de aanbesteding plaats. Voor de som van f.8460.- werd de aannemer Wiebe H. Bakker met de bouw belast.
Uit het Provinciaal Verslag van 1858 blijkt echter dat “de bouw van eene nieuwe kerk te Gasselter-Nieuwveen wordt vertraagd door gerezen meningsverschil tussen de kerkvoogden en den aannemer”.
Zoals al meegedeeld bedroeg de aannemingssom f. 8460.–. Maar er was meer nodig voor de kerk goed en wel klaar was. De totale kosten bleken dan ook na de voltooing f. 15.010,39 te hebben bedragen. Hierbij is dan nog niet inbegrepen het f. 6100.– grote gedeelte van de afgesloten leningen, dat nog niet was afgelost en de daarover verschuldigde rente. Met deze aflossing zouden nog meer dan 40 jaren gemoeid zijn, ongetwijfeld een bewijs van voorzichtig beheer der toenmalige kerkvoogden. Een bijzonderheid, die het vermelden waard is, betreft de luidklok. Deze werd betrokken van L.J. Elsinga te Groningen voor f. 267,57. Deze klok is tijdens de duitse bezetting geroofd, maar na de oorlog weer teruggekomen.

In 1859 wordt de nieuwe zaalkerk met dakruiter opgetrokken in de zogenoemde waterstaatsstijl. Later blijkt dat de toren te zwaar is voor het dakgewelf.
Op 13 december 1859 meldt de Provinciale Drenthsche- en Asser Courant hierover: “GASSELTER-NIJVEEN, 12 December. Met zekerheid kunnen we melden, dat het fraaije kerkgebouw alhier, waarover bijna drie jaren is gewerkt, op den 18 dezer godsdienstig zal worden ingewijd. Als iets bijzondors deelen we nog mede, dat het overlijden van de oudste in onzo kerkelijke gemeente, eene vrouw van bijna 94 jaren, de eerste is geweest, wier dood met de nieuwe klok is aangekondigd”.

In 1879 werd de dakruiter afgebroken en werd begonnen met de bouw van de tegenwoordige klokkentoren. Deze wordt voor Hfl. 1.837,- door de aannemer H.P. Geertseman gebouwd. De zaalkerk is opgetrokken in baksteen. Het schilddak met makelaars is bedekt met geglazuurde pannen. Tussen de rondboogvensters is steeds een blinde rondboognis. Op het dak van de kerk staat rechts een paard en links een zeilschip. Het paard symboliseert de landbouw, het zeilschip de scheepvaart. De entree bestaat uit drie dubbele paneeldeuren met een rondboog bovenlicht. In de geveltop zit een roosvenster. De luidklok in de toren is gegoten door L.J. Eisinga en zoon uit Groningen. In de Tweede Wereldoorlog is de klok door de Duitsers meegenomen, maar is weer teruggekomen. Aan het luiden van de klok kon men horen of er een kind, man of vrouw was overleden.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *