|
|
Plaatsen > Boven Pekela (Gr)
Boven Pekela ligt in de gemeente Pekela in de provincie Groningen.
Het grote gebied waarin later Boven Pekela zou ontstaan, was
een ruig, geheel door mensen geschuwd veengebied. Inderdaad was het
hoogveencomplex, het Boertanger Moeras, voor het grootste deel voor de mens een
weinig aanlokkelijke streek, maar toch is er door allerlei vondsten aangetoond
dat er langs de vele riviertjes, in de dalen, al ver voor de ontginning enige
bewoning is geweest door veehouders. In het gebied langs de Pekel A is dit
stellig zo geweest.
Zelfs in prehistorische tijden, ver voor de veengroei, kwamen in dit gebied
jagers/verzamelaars, die hun kampementen opsloegen. Dit kan worden afgeleid uit
de vondsten van haardkuilen die bij opgravingen in de jaren 1980-1990 aan het
licht kwamen. Over deze bodemschatten begon omstreeks 7000 jaar geleden een dik
pak veen te groeien.
In 1599 kochten enige Friezen en Hollanders, verenigd in de zogenaamde Pekelder Compagnie, veengronden langs het riviertje de Pekel A van eigenaren uit het naburige stadje Winschoten. De compagnie wilde door veenexploitatie turf winnen. Aan die brandstof was juist in die tijd een zeer grote behoefte: de houtvoorraad raakte op, het bouwen met steen kwam steeds meer in zwang; voor het bakken van de steen waren grote voorraden brandstof nodig.
Men begon met het graven van de turf in wat later Oude Pekela zou worden en werkte langzamerhand in de richting van waar later Stadskanaal ontstond. Geredeneerd vanuit de stroomrichting van het water van de Pekel A werkte men van beneden naar boven. Het is allemaal wat ingewikkeld: Oude Pekela heette oorspronkelijk Beneden Pekela en Nieuwe Pekela was Boven Pekela. Oude en Nieuwe Pekela werden eigenlijk pas officiële benamingen toen er in de negentiende eeuw twee afzonderlijke gemeenten ontstonden, hoewel de scheiding in twee kerspels (kerkdorpen) al ruim een eeuw eerder plaats vond. Elke gemeente had echter in het spraakgebruik een beneden- en een boveneind. Het boveneind van de voormalige gemeente Nieuwe Pekela kreeg kort na de samenvoeging van de beide gemeenten tot Pekela in 1990, de status van dorp Boven Pekela.
Voor de ontwatering van het veen, de afvoer van de turf en de
aanvoer van allerlei goederen begon men de rivier de Pekel A bevaarbaar te
maken. Vanuit het hoofddiep, dat op deze manier ontstond, werden wijken
landinwaarts gegraven. Deze waren niet alleen noodzakelijk voor de aan- en
afvoer van producten, maar ook voor de waterbeheersing van het gebied.
De kanalisatie ging gepaard met de aanleg van een drietal sluizen (verlaten) om
het hoogteverschil te over-bruggen. Pas in 1877 werd de vierde sluis, een
koppelsluis, dicht bij Stadskanaal gebouwd. Daarmee was het Pekelder Diep
verbonden met het Stadskanaal.
In 1915 was er in de voormalige gemeenten Oude en Nieuwe Pekela bijna geen veen meer. Een laatste restant in Oude Pekela werd in de crisisjaren dertig nog als werkverschaffingsproject afgegraven.
De turf was een waardevolle brandstof, die vooral naar de stad
Groningen en de Duitse kuststeden werd vervoerd.
Het is dan ook geen wonder, dat de stad Groningen al gauw belangstelling toonde
voor de turfgraverij en het lukte haar om al vóór 1650 een groot gedeelte van
de gronden in haar bezit te krijgen. Zij kreeg op den duur vrijwel de
alleenheerschappij en dat is van grote invloed geweest op de verdere
ontwikkeling van Pekela. De Stad bepaalde namelijk dat de gronden waarvan het
veen was afgegraven niet ongebruikt mochten worden achtergelaten, maar dat ze
door een doelmatige bewerking en goede bemesting moesten worden 'toegemaakt' tot
landbouwgrond van goede kwaliteit.
De veenplaatsen werden door de stad Groningen onder
voorwaarden uitgegeven. In de condities voor de verhuur van de venen in Pekel A,
vastgesteld door de burgemeesters en raad van Groningen in 1651, lezen we welke
deze voorwaarden waren.
De huurder moest een bepaald bedrag betalen en werd bovendien verplicht om van
zijn turfopbrengst een gedeelte af te staan en van zijn ontgonnen bouwland pacht
te betalen.
De huurder, stadsmeier genaamd, die geregeld aan zijn verplichtingen voldeed,
kon ongestoord van zijn grond gebruik maken. Bij overlijden ging dit recht van
de 'huurcenter' op de wettige erfgenamen over. In feite was de stadsmeier
eigenaar van zijn gronden.
Ook werd bepaald dat de bezitters van de eeuwig durende en in alle lijnen
verervende gronden jaarlijks de zogenaamde stadsrechten moesten betalen, terwijl
bij overdracht van het recht de 20e penning (5%) moest worden betaald door de
nieuwe eigenaren.
Eeuwenlang is er gesproken over de opheffing van de stadsrechten. In het kader
van de Herinrichtingwet Oost-Groninger en Drents-Groninger Veenkoloniën zijn
partijen tot overeenstemming gekomen en is de afkoop van deze stadsrechten in
1988 een feit geworden.
U bent bezoeker: Andere landen uit deze serie: Aruba België Bonaire Bulgarije Curacao Denemarken Duitsland Frankrijk Griekenland Hongarije Italië Nederland Oostenrijk Portugal Roemenië Slowakije Spanje Turkije TravelGuideEurope.eu
|